BijbelPsalmenHoofdstuk 101

Psalmen 101

VorigeVolgende
Statenvertaling · VSV
1

Ik zal zingen van goedertierenheid en recht: voor U, o HEER, zal ik zingen.

2

Ik zal mij wijs gedragen op een volmaakte weg. O wanneer zult U tot mij komen? Ik zal wandelen binnen mijn huis met een oprecht hart.

3

Ik zal geen verderfelijke dingen voor mijn ogen stellen: ik haat het werk van hen die afwijken; het zal niet aan mij kleven.

4

Een verkeerd hart zal van mij wijken: ik zal het kwade niet kennen.

5

Wie zijn naaste heimelijk lastert, die zal ik uitroeien: wie hoogmoedige ogen en een trotse hart heeft, die zal ik niet dulden.

6

Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen van het land, opdat zij bij mij wonen: wie op een volmaakte weg wandelt, die zal mij dienen.

7

Wie bedrog pleegt, zal niet wonen in mijn huis: wie leugens spreekt, zal niet bestaan voor mijn ogen.

8

Vroeg in de morgen zal ik alle goddelozen van het land verdelgen; opdat ik alle boosdoeners uitroeie uit de stad van de HEER.

8 verzen

Statenvertaling

VorigeVolgende