Psalmen 101
Ik zal zingen van goedertierenheid en recht: voor U, o HEER, zal ik zingen.
Ik zal mij wijs gedragen op een volmaakte weg. O wanneer zult U tot mij komen? Ik zal wandelen binnen mijn huis met een oprecht hart.
Ik zal geen verderfelijke dingen voor mijn ogen stellen: ik haat het werk van hen die afwijken; het zal niet aan mij kleven.
Een verkeerd hart zal van mij wijken: ik zal het kwade niet kennen.
Wie zijn naaste heimelijk lastert, die zal ik uitroeien: wie hoogmoedige ogen en een trotse hart heeft, die zal ik niet dulden.
Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen van het land, opdat zij bij mij wonen: wie op een volmaakte weg wandelt, die zal mij dienen.
Wie bedrog pleegt, zal niet wonen in mijn huis: wie leugens spreekt, zal niet bestaan voor mijn ogen.
Vroeg in de morgen zal ik alle goddelozen van het land verdelgen; opdat ik alle boosdoeners uitroeie uit de stad van de HEER.
8 verzen
Statenvertaling