BijbelPsalmenHoofdstuk 14

Psalmen 14

VorigeVolgende
Statenvertaling · VSV
1

De dwaas heeft in zijn hart gezegd: Er is geen God. Zij zijn verdorven, zij hebben gruwelijke werken gedaan; er is niemand die goed doet.

2

De HEER heeft uit de hemel neergezien op de kinderen der mensen, om te zien of er iemand was die verstandig handelde en God zocht.

3

Zij zijn allen afgeweken, zij zijn tezamen onrein geworden; er is niemand die goed doet, zelfs niet één.

4

Hebben alle werkers der ongerechtigheid dan geen kennis? die mijn volk opeten als aten zij brood, en de HEER niet aanroepen.

5

Daar werden zij door grote vrees bevangen: want God is in het geslacht der rechtvaardigen.

6

U hebt de raad van de arme beschaamd, maar de HEER is zijn toevlucht.

7

Och, dat het heil van Israël uit Sion mocht komen! Als de HEER de gevangenen van Zijn volk terugbrengt, dan zal Jakob zich verheugen en Israël verblijd zijn.

7 verzen

Statenvertaling

VorigeVolgende