Psalmen 17
Hoor het recht, o HEER, sla acht op mijn roepen, neem mijn gebed ter ore, dat niet van geveinste lippen komt.
Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan; laat Uw ogen het rechte aanschouwen.
U hebt mijn hart beproefd; U hebt mij des nachts bezocht; U hebt mij getoetst en niets gevonden; ik heb mij voorgenomen dat mijn mond niet zal overtreden.
Aangaande de werken der mensen, heb ik mij door het woord van Uw lippen gehouden van de paden van de verderver.
Ondersteun mijn gangen op Uw paden, opdat mijn voetstappen niet wankelen.
Ik roep U aan, want U zult mij verhoren, o God: neig Uw oor tot mij en hoor mijn spreken.
Bewijs Uw wonderbare goedertierenheid, o U die door Uw rechterhand redt hen die op U vertrouwen van hen die opstaan tegen hen.
Bewaar mij als de appel van het oog, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugelen,
Voor de goddelozen die mij onderdrukken, voor mijn dodelijke vijanden die mij rondom omsingelen.
Zij zijn besloten in hun eigen vet: met hun mond spreken zij hoogmoedig.
Zij hebben nu onze voetstappen omsingeld: zij hebben hun ogen gericht om neer te buigen naar de aarde;
Gelijk een leeuw die belust is op zijn prooi, en als een jonge leeuw die loert in verborgen plaatsen.
Sta op, o HEER, kom hem tegemoet, werp hem neer: bevrijd mijn ziel van de goddeloze, die Uw zwaard is:
Van de mensen die Uw hand zijn, o HEER, van de mensen der wereld, die hun deel in dit leven hebben, en wier buik U vult met Uw verborgen schat: zij zijn vol van kinderen en laten het overige van hun vermogen na aan hun nakomelingen.
Wat mij betreft, ik zal Uw aangezicht aanschouwen in gerechtigheid: ik zal verzadigd zijn, als ik ontwake, met Uw gelijkenis.
15 verzen
Statenvertaling