Psalmen 56
Wees mij genadig, o God; want de mens wil mij verslinden; dagelijks benauwt hij mij door te strijden.
Mijn vijanden willen mij dagelijks verslinden; want velen zijn er die tegen mij strijden, o Allerhoogste.
Ten tijde dat ik vrees, zal ik op U vertrouwen.
In God zal ik Zijn woord prijzen; op God heb ik mijn vertrouwen gesteld; ik zal niet vrezen wat vlees mij kan aandoen.
Dagelijks verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn op kwaad tegen mij gericht.
Zij vergaderen zich, zij verbergen zich, zij letten op mijn voetstappen, wanneer zij mijn ziel loeren.
Zullen zij ontkomen door ongerechtigheid? Werp de volken neder in Uw toorn, o God.
U telt mijn omzwervingen; leg mijn tranen in Uw kruik; zijn zij niet in Uw boek?
Wanneer ik tot U roep, dan zullen mijn vijanden terugwijken; dit weet ik, want God is voor mij.
In God zal ik Zijn woord prijzen; in de HEER zal ik Zijn woord prijzen.
Op God heb ik mijn vertrouwen gesteld; ik zal niet vrezen wat een mens mij kan aandoen.
Uw geloften rusten op mij, o God; ik zal U dankoffers brengen.
Want U heeft mijn ziel van de dood bevrijd; zult U mijn voeten niet van het struikelen bewaren, zodat ik voor God mag wandelen in het licht der levenden?
13 verzen
Statenvertaling