Psalmen 68
Laat God opstaan, laat Zijn vijanden verstrooid worden; laat ook hen die Hem haten, voor Hem vluchten.
Zoals rook weggedreven wordt, drijf hen weg; zoals was smelt voor het vuur, zo vergaan de goddelozen voor het aangezicht van God.
Maar laat de rechtvaardigen verblijd zijn; laat hen juichen voor God; ja, laat hen uitbundig jubelen.
Zing voor God, zing lofprijzingen aan Zijn naam; verhef Hem die rijdt op de hemelen, door Zijn naam JAH, en verheug u voor Hem.
Een Vader van de vaderlozen en een Rechter van de weduwen is God in Zijn heilige woning.
God plaatst de eenzamen in gezinnen; Hij leidt de gevangenen uit met ketenen; maar de opstandigen wonen in een dor land.
O God, toen U uittrok voor Uw volk, toen U door de woestijn trok; Sela:
De aarde beefde, de hemelen dropen voor het aangezicht van God; zelfs de Sinaï zelf bewoog voor het aangezicht van God, de God van Israël.
U, o God, hebt een overvloedige regen gezonden, waardoor U Uw erfenis bevestigde toen zij vermoeid was.
Uw gemeente heeft daarin gewoond; U, o God, hebt in Uw goedheid het nodige bereid voor de arme.
De Heer gaf het woord; groot was de schare van hen die het verkondigden.
Koningen der legers vluchtten haastig; en zij die thuisbleven, verdeelden de buit.
Al hebt u tussen de schapen gelegen, toch zult u zijn als de vleugels van een duif, bedekt met zilver, en haar veren met geel goud.
Toen de Almachtige koningen daarin verstrooide, was het wit als sneeuw op de Zalmon.
De berg van God is als de berg Basan; een hoge berg als de berg Basan.
Waarom springen jullie, hoge bergen? Dit is de berg die God begeert te bewonen; ja, de HEER zal er voor eeuwig wonen.
De wagens van God zijn tienduizend, ja, duizenden van engelen; de Heer is onder hen, zoals op de Sinaï, in het heilige.
U bent omhooggegaan, U hebt de gevangenis gevankelijk weggevoerd; U hebt gaven ontvangen voor de mensen, ja, ook voor de opstandigen, opdat de HEER God onder hen zou wonen.
Geloofd zij de Heer, die ons dag aan dag met weldaden laadt, de God van ons heil. Sela.
De God die onze God is, is de God van de verlossing; en bij GOD de Heer zijn de uitgangen uit de dood.
Maar God zal het hoofd van Zijn vijanden verbrijzelen, de harige schedel van wie voortgaat in zijn overtredingen.
De Heer zeide: Ik zal terugbrengen uit Basan, Ik zal Mijn volk terugbrengen uit de diepten van de zee;
Opdat uw voet gedoopt worde in het bloed van uw vijanden, en de tong van uw honden zijn deel krijge.
Zij hebben Uw tochten gezien, o God; de tochten van mijn God, mijn Koning, in het heiligdom.
De zangers gingen voor, de speellieden volgden achter; daartussenin waren de maagden die op tamboerijnen speelden.
Looft God in de gemeenten; looft de Heer, vanuit de bron van Israël.
Daar is de kleine Benjamin met hun aanvoerder, de vorsten van Juda en hun raad, de vorsten van Zebulon en de vorsten van Naftali.
Uw God heeft Uw kracht geboden; versterk, o God, wat U voor ons bewerkt hebt.
Omwille van Uw tempel te Jeruzalem zullen koningen U geschenken brengen.
Bestraf het gezelschap van de speerlieden, de menigte van de stieren met de kalveren der volken, totdat ieder zich onderwerpt met stukken zilver; verstrooie Uw het volk dat behagen schept in oorlog.
Vorsten zullen uit Egypte komen; Ethiopië zal spoedig zijn handen uitstrekken naar God.
Zing voor God, gij koninkrijken der aarde; o zing lofprijzingen aan de Heer; Sela:
Voor Hem die rijdt op de allerhoogste hemelen, die vanouds zijn; zie, Hij verheft Zijn stem, een machtige stem.
Schrijft kracht toe aan God; Zijn majesteit is over Israël, en Zijn kracht is in de wolken.
O God, U bent ontzagwekkend vanuit Uw heilige plaatsen; de God van Israël is Hij die Zijn volk kracht en sterkte geeft. Geloofd zij God.
35 verzen
Statenvertaling