Psalmen 88
O HEER, God van mijn heil, ik heb dag en nacht voor U geroepen.
Laat mijn gebed voor Uw aangezicht komen; neig Uw oor tot mijn geroep.
Want mijn ziel is vol van ellende, en mijn leven nadert tot het graf.
Ik word gerekend bij hen die in de kuil nederdalen; ik ben als een man die geen kracht heeft.
Vrijgelaten onder de doden, gelijk de verslagenen die in het graf liggen, die U niet meer gedenkt, en die van Uw hand afgesneden zijn.
U hebt mij gelegd in de diepste kuil, in duisterheden, in de diepten.
Uw grimmigheid ligt zwaar op mij, en U hebt mij verdrukt met al Uw golven. Sela.
U hebt mijn bekenden verre van mij gedaan; U hebt mij hun tot een gruwel gemaakt; ik ben opgesloten en kan niet uitkomen.
Mijn oog treurt vanwege ellende; HEER, ik heb dagelijks tot U geroepen, ik heb mijn handen tot U uitgestrekt.
Zult U aan de doden wonderen doen? Zullen de doden opstaan en U prijzen? Sela.
Zal Uw goedertierenheid verteld worden in het graf, of Uw trouw in het verderf?
Zullen Uw wonderen bekend zijn in de duisternis? en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?
Maar tot U heb ik geroepen, o HEER; en in de morgen zal mijn gebed U tegemoet komen.
HEER, waarom verwerpt U mijn ziel? waarom verbergt U Uw aangezicht voor mij?
Ik ben verdrukt en nagenoeg stervende van mijn jeugd af: terwijl ik Uw verschrikkingen draag, ben ik verslagen.
Uw brandende toorn gaat over mij heen; Uw verschrikkingen hebben mij afgesneden.
Zij omringden mij dagelijks als water; zij sloten zich tezamen om mij heen.
Minnaar en vriend hebt U ver van mij weggedaan, en mijn vertrouwelingen in de duisternis.
18 verzen
Statenvertaling