Terug naar 1 Koningen 13
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 13:8

En de man Gods zei tot de koning: Al geeft u mij de helft van uw huis, ik zal niet met u meegaan, noch brood eten noch water drinken op deze plaats:

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 13 — omringende verzen

3

En hij gaf diezelfde dag een teken, zeggende: Dit is het teken dat de HEER heeft gesproken: Zie, het altaar zal gescheurd worden en de as die erop is, zal uitgestort worden.

4

En het geschiedde, toen koning Jerobeam de woorden hoorde van de man Gods, die tegen het altaar in Bethel had geroepen, dat hij zijn hand van het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem. En zijn hand die hij tegen hem uitstrekte, verdorde, zodat hij haar niet meer tot zich kon trekken.

5

Het altaar werd ook gescheurd en de as werd uitgestort van het altaar, overeenkomstig het teken dat de man Gods had gegeven door het woord van de HEER.

6

En de koning antwoordde en zei tot de man Gods: Smeek toch het aangezicht van de HEER, uw God, en bid voor mij, opdat mijn hand mij hersteld worde. En de man Gods bad de HEER, en de hand van de koning werd hem hersteld en werd weer als tevoren.

7

En de koning zei tot de man Gods: Kom met mij mee naar huis en verkwik uzelf, en ik zal u een beloning geven.

8

En de man Gods zei tot de koning: Al geeft u mij de helft van uw huis, ik zal niet met u meegaan, noch brood eten noch water drinken op deze plaats:

9

Want zo is mij bevolen door het woord van de HEER, zeggende: Eet geen brood, noch drink water, noch keer terug langs de weg die gij gekomen zijt.

10

Zo ging hij een andere weg en keerde niet terug langs de weg waarlangs hij naar Bethel was gekomen.

11

Nu woonde er een oude profeet in Bethel; en zijn zonen kwamen en vertelden hem al de werken die de man Gods die dag in Bethel had gedaan; ook de woorden die hij tot de koning had gesproken, vertelden zij hun vader.

12

En hun vader zei tot hen: Welke weg ging hij? Want zijn zonen hadden gezien welke weg de man Gods gegaan was, die uit Juda was gekomen.

13

En hij zei tot zijn zonen: Zadelt mij de ezel. Zo zadelden zij hem de ezel, en hij reed erop,