1 Koningen 16:30
“En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van de HEER, meer dan allen die vóór hem waren.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Koningen 16 — omringende verzen
Maar Omri deed wat kwaad was in de ogen van de HEER en handelde slechter dan allen die vóór hem waren.
26Want hij wandelde in al de weg van Jeroboam, de zoon van Nebat, en in zijn zonde, waarmee hij Israël tot zonde had verleid, om de HEER, de God van Israël, tot toorn te verwekken met hun ijdelheden.
27Het overige nu van de daden van Omri, die hij deed, en zijn macht die hij betoonde, zijn die niet beschreven in het boek der kronieken van de koningen van Israël?
28En Omri ontsliep bij zijn vaderen en werd begraven in Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.
29En in het achtendertigste jaar van Asa, de koning van Juda, begon Achab, de zoon van Omri, over Israël te regeren; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israël in Samaria tweeëntwintig jaar.
En Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen van de HEER, meer dan allen die vóór hem waren.
En het geschiedde, alsof het hem een gering ding was te wandelen in de zonden van Jeroboam, de zoon van Nebat, dat hij tot vrouw nam Izébel, de dochter van Ethbaäl, de koning der Sidoniërs, en Baäl ging dienen en zich voor hem neerboog.
32En hij richtte een altaar op voor Baäl in het huis van de Baäl, dat hij in Samaria gebouwd had.
33En Achab maakte een heilig woud; en Achab deed nog meer om de HEER, de God van Israël, tot toorn te verwekken dan alle koningen van Israël die vóór hem waren.
34In zijn dagen bouwde Hiël, de Betheliet, Jericho; hij legde het fundament ervan in Abiram, zijn eerstgeborene, en zette de poorten ervan op in zijn jongste zoon Segub, overeenkomstig het woord van de HEER, dat Hij gesproken had door Jozua, de zoon van Nun.