Terug naar 1 Koningen 19
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 19:16

En Jehu, de zoon van Nimsi, zult u zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-Mechola, zult u zalven tot profeet in uw plaats.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 19 — omringende verzen

11

En Hij zeide: Ga naar buiten en sta op de berg voor het aangezicht van de HEER. En zie, de HEER ging voorbij, en een grote en sterke wind spleet de bergen en verbrijzelde de rotsen voor de HEER; maar de HEER was niet in de wind; en na de wind een aardbeving; maar de HEER was niet in de aardbeving;

12

En na de aardbeving een vuur; maar de HEER was niet in het vuur; en na het vuur een stil, zacht gefluister.

13

En het geschiedde toen Elia het hoorde, dat hij zijn aangezicht hulde in zijn mantel en naar buiten ging en stond in de ingang van de spelonk. En zie, er kwam een stem tot hem en zeide: Wat doet u hier, Elia?

14

En hij zeide: Ik heb zeer ijverig geijverd voor de HEER, de God der heerscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik, ik alleen, ben overgebleven; en zij zoeken mijn leven om het weg te nemen.

15

En de HEER zeide tot hem: Ga, keer terug op uw weg naar de woestijn van Damascus; en wanneer u daar komt, zalf Hazaël tot koning over Syrië;

16

En Jehu, de zoon van Nimsi, zult u zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat uit Abel-Mechola, zult u zalven tot profeet in uw plaats.

17

En het zal geschieden dat wie ontsnapt aan het zwaard van Hazaël, die zal Jehu doden; en wie ontsnapt aan het zwaard van Jehu, die zal Elisa doden.

18

Toch heb Ik Mij in Israël zevenduizend overgelaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft.

19

Zo vertrok hij vandaar en vond Elisa, de zoon van Safat, die aan het ploegen was met twaalf span ossen voor hem, en hij zelf met het twaalfde; en Elia ging aan hem voorbij en wierp zijn mantel op hem.

20

En hij verliet de ossen en liep Elia achterna en zeide: Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, en dan zal ik u volgen. En hij zeide tot hem: Ga, keer terug; want wat heb ik u gedaan?

21

En hij keerde van hem terug en nam een span ossen en slachtte ze, en hij kookte hun vlees met de werktuigen van de ossen, en gaf het aan het volk, en zij aten. Daarna stond hij op en ging Elia achterna en diende hem.