Terug naar 1 Koningen 2
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 2:26

En tot Abjathar de priester zei de koning: Ga naar Anathoth, naar uw eigen akkers, want gij zijt des doods schuldig; maar ik zal u te dezen tijde niet doden, omdat gij de ark van de HEER God voor mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt in alles waarin mijn vader verdrukt was.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 2 — omringende verzen

21

En zij zei: Laat Abisag, de Sunammiete, aan uw broeder Adonia tot vrouw gegeven worden.

22

En koning Salomo antwoordde en zei tot zijn moeder: Waarom vraagt gij Abisag, de Sunammiete, voor Adonia? Vraag dan ook het koninkrijk voor hem, want hij is mijn oudste broeder; ja, voor hem en voor Abjathar de priester en voor Joab, de zoon van Zeruja.

23

Toen zwoer koning Salomo bij de HEER, zeggende: God doe mij zo en nog meer, als Adonia dit woord niet gesproken heeft tegen zijn eigen leven.

24

Nu dan, zo waarlijk als de HEER leeft, die mij bevestigd en op de troon van mijn vader David geplaatst heeft, en die mij een huis gemaakt heeft zoals Hij beloofd had — Adonia zal heden gedood worden.

25

En koning Salomo zond door de hand van Benaja, de zoon van Jojada; en hij sloeg hem neer, zodat hij stierf.

26

En tot Abjathar de priester zei de koning: Ga naar Anathoth, naar uw eigen akkers, want gij zijt des doods schuldig; maar ik zal u te dezen tijde niet doden, omdat gij de ark van de HEER God voor mijn vader David gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt in alles waarin mijn vader verdrukt was.

27

Zo verdreef Salomo Abjathar van het priesterschap voor de HEER, opdat het woord des HEREN vervuld zou worden, dat Hij gesproken had over het huis van Eli in Silo.

28

Toen bereikte het bericht Joab — want Joab had zich na Adonia gekeerd, ofschoon hij zich niet na Absalom had gekeerd. En Joab vluchtte naar de tabernakel des HEREN, en greep de hoornen van het altaar.

29

En aan koning Salomo werd bericht: Joab is gevlucht naar de tabernakel des HEREN, en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja, de zoon van Jojada, en zei: Ga, sla hem neer.

30

En Benaja kwam tot de tabernakel des HEREN en zei tot hem: Zo zegt de koning: Kom uit. Maar hij zei: Neen, maar hier zal ik sterven. En Benaja bracht de koning het antwoord terug, zeggende: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.

31

En de koning zei tot hem: Doe zoals hij gezegd heeft, sla hem neer en begraaf hem, opdat gij het onschuldige bloed dat Joab vergoten heeft, van mij en van het huis mijns vaders wegneemt.