Terug naar 1 Koningen 20
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 20:35

En een zeker man van de zonen der profeten zei tot zijn naaste op het woord des HEREN: Sla mij toch. Maar de man weigerde hem te slaan.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 20 — omringende verzen

30

Maar de overigen vluchtten naar Afek, de stad in; en daar viel een muur op zeven en twintig duizend van de mannen die overgebleven waren. En Benhadad vluchtte en kwam de stad in, een binnenkamer in.

31

En zijn dienaren zeiden tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord dat de koningen van het huis van Israël barmhartige koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lendenen doen en touwen om onze hoofden, en uitgaan tot de koning van Israël; misschien zal hij uw leven sparen.

32

Zij omgordden dan zakken om hun lendenen en deden touwen om hun hoofden, en kwamen tot de koning van Israël en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat mij toch leven. En hij zei: Leeft hij nog? Hij is mijn broeder.

33

Nu merkten de mannen nauwlettend op of er iets van hem zou komen, en zij grepen het snel aan; en zij zeiden: Uw broeder Benhadad. Toen zei hij: Gaat heen, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit; en hij deed hem in de wagen klimmen.

34

En Benhadad zei tot hem: De steden die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik teruggeven; en u zult straten voor uzelf maken in Damascus, zoals mijn vader in Samaria gemaakt heeft. Toen zei Ahab: Met dit verbond zal ik u laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem en liet hem gaan.

35

En een zeker man van de zonen der profeten zei tot zijn naaste op het woord des HEREN: Sla mij toch. Maar de man weigerde hem te slaan.

36

Toen zei hij tot hem: Omdat u de stem des HEREN niet gehoorzaamd hebt, zie, zodra u van mij weggegaan zult zijn, zal een leeuw u doden. En zodra hij van hem weggegaan was, vond een leeuw hem en doodde hem.

37

Daarna vond hij een andere man en zei: Sla mij toch. En de man sloeg hem, zodat hij hem al slaande verwondde.

38

Zo vertrok de profeet en wachtte de koning op bij de weg, en hij vermomd zichzelf met as op zijn gezicht.

39

En toen de koning voorbijging, riep hij de koning aan en zei: Uw knecht trok uit in het midden van de strijd; en zie, een man wendde zich af en bracht een man tot mij en zei: Bewaar deze man; als hij op enige wijze ontbreekt, dan zal uw leven voor zijn leven zijn, of anders zult u een talent zilver betalen.

40

En terwijl uw knecht hier en daar bezig was, was hij weg. Toen zei de koning van Israël tot hem: Zo zal uw oordeel zijn; uzelf hebt het bepaald.