Terug naar 1 Koningen 22
VSV
Statenvertaling

1 Koningen 22:15

Zo kwam hij tot de koning. En de koning zei tot hem: Micha, zullen wij optrekken naar Ramoth-Gilead ten strijde, of zullen wij het nalaten? En hij antwoordde hem: Trek op en slaag; want de HEER zal het in de hand van de koning geven.

Kruisverwijzingen

Context

1 Koningen 22 — omringende verzen

10

En de koning van Israël en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, gekleed in hun gewaden, op een open plaats bij de ingang van de poort van Samaria; en alle profeten profeteerden voor hen.

11

En Zedekia, de zoon van Kenaäna, maakte zich ijzeren hoorns en zei: Zo zegt de HEER: Hiermee zult u de Syriërs stoten totdat u hen vernietigd hebt.

12

En alle profeten profeteerden zo: Trek op naar Ramoth-Gilead en slaag; want de HEER zal het in de hand van de koning geven.

13

En de bode die gegaan was om Micha te roepen, sprak tot hem: Zie toch, de woorden van de profeten verkondigen eenstemmig iets goeds voor de koning; laat toch uw woord zijn als het woord van een van hen en spreek iets goeds.

14

En Micha zei: Zo zeker als de HEER leeft, wat de HEER tot mij zegt, dat zal ik spreken.

15

Zo kwam hij tot de koning. En de koning zei tot hem: Micha, zullen wij optrekken naar Ramoth-Gilead ten strijde, of zullen wij het nalaten? En hij antwoordde hem: Trek op en slaag; want de HEER zal het in de hand van de koning geven.

16

En de koning zei tot hem: Hoe vaak moet ik u bezweren, dat u mij niets dan de waarheid spreekt in de naam des HEREN?

17

En hij zei: Ik zag gans Israël verstrooid op de bergen, als schapen die geen herder hebben; en de HEER zei: Dezen hebben geen heer; laat hen terugkeren, een ieder naar zijn huis, in vrede.

18

En de koning van Israël zei tot Josafat: Heb ik u niet gezegd dat hij geen goed over mij zou profeteren, maar kwaad?

19

En hij zei: Hoor daarom het woord van de HEER: Ik zag de HEER zitten op Zijn troon, en het hele hemelse heer stond bij Hem, aan Zijn rechter- en aan Zijn linkerhand.

20

En de HEER zei: Wie zal Achab overhalen, zodat hij optrekke en valle bij Ramoth in Gilead? En de een zei dit, en de ander zei dat.