Terug naar 1 Kronieken 12
VSV
Statenvertaling

1 Kronieken 12:19

En er vielen sommigen van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok; maar zij hielpen hen niet mee: want de vorsten der Filistijnen besloten na beraad hem weg te sturen, zeggende: Hij zal overlopen naar zijn heer Saul, ten koste van onze hoofden.

Kruisverwijzingen

Context

1 Kronieken 12 — omringende verzen

14

Dit waren de zonen van Gad, aanvoerders van het leger: de minste stond over honderd, en de grootste over duizend.

15

Dit zijn zij die in de eerste maand de Jordaan overtrokken, toen die al zijn oevers overstroomd had; en zij sloegen allen op de vlucht die in de dalen woonden, zowel naar het oosten als naar het westen.

16

En er kwamen van de kinderen van Benjamin en Juda naar de vesting bij David.

17

En David ging uit om hen te ontmoeten, en antwoordde en zeide hun: Indien gij in vrede tot mij gekomen zijt om mij te helpen, zal mijn hart één met u zijn; maar indien gij gekomen zijt om mij aan mijn vijanden te verraden, terwijl er geen onrecht in mijn handen is, dan zie de God onzer vaderen het aan en straffe het.

18

Toen kwam de Geest over Amasai, die het hoofd was van de aanvoerders, en hij zeide: Van u zijn wij, David, en met u zijn wij, gij zoon van Isaï; vrede, vrede zij u, en vrede uw helpers; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan en stelde hen aan als aanvoerders van de bende.

19

En er vielen sommigen van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen tegen Saul ten strijde trok; maar zij hielpen hen niet mee: want de vorsten der Filistijnen besloten na beraad hem weg te sturen, zeggende: Hij zal overlopen naar zijn heer Saul, ten koste van onze hoofden.

20

Toen hij naar Ziklag ging, vielen tot hem van Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michaël, en Jozabad, en Elihu, en Zilthai, aanvoerders van de duizenden van Manasse.

21

En zij hielpen David tegen de bende der plunderaars: want zij waren allen dappere helden en aanvoerders in het leger.

22

Want dag aan dag kwamen er in die tijd mensen tot David om hem te helpen, totdat het een groot leger was, als het leger Gods.

23

Dit zijn de aantallen van de legerscharen die wapenklaar waren voor de strijd en tot David te Hebron kwamen, om het koningschap van Saul op hem over te dragen, naar het woord van de HEER.

24

De kinderen van Juda die het schild en de speer droegen, waren zesduizend achthonderd, wapenklaar voor de strijd.