Terug naar 1 Kronieken 17
VSV
Statenvertaling

1 Kronieken 17:6

Overal waar Ik met geheel Israël gewandeld heb, heb Ik ooit een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik geboden heb Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom hebt gij Mij geen huis van cederen gebouwd?

Kruisverwijzingen

Context

1 Kronieken 17 — omringende verzen

1

En het geschiedde, toen David in zijn huis zat, dat David tot de profeet Nathan zei: Zie, ik woon in een huis van cederen, maar de ark van het verbond des HEREN blijft onder tentdoeken.

2

Toen zei Nathan tot David: Doe alles wat in uw hart is, want God is met u.

3

En het geschiedde in diezelfde nacht, dat het woord Gods tot Nathan kwam, zeggende:

4

Ga heen en zeg tot David, Mijn dienaar: Zo zegt de HEER: Gij zult Mij geen huis bouwen om daarin te wonen.

5

Want Ik heb niet in een huis gewoond sinds de dag dat Ik Israël opvoerde, tot op deze dag, maar Ik ben gegaan van tent tot tent en van de ene tabernakel naar de andere.

6

Overal waar Ik met geheel Israël gewandeld heb, heb Ik ooit een woord gesproken tot een van de richters van Israël, die Ik geboden heb Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom hebt gij Mij geen huis van cederen gebouwd?

7

Nu dan, zo zult gij tot Mijn dienaar David zeggen: Zo zegt de HEER der heerscharen: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen vandaan, opdat gij een vorst zoudt zijn over Mijn volk Israël.

8

En Ik ben met u geweest overal waar gij gegaan hebt, en heb al uw vijanden voor u uitgeroeid, en heb u een naam gemaakt zoals de naam der groten die op de aarde zijn.

9

Ook zal Ik een plaats bereiden voor Mijn volk Israël en hen planten, en zij zullen in hun plaats wonen en niet meer bewogen worden, en de kinderen der goddeloosheid zullen hen niet meer verdrukken zoals in het begin,

10

En sinds de tijd dat Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Bovendien zal Ik al uw vijanden onderwerpen. Verder verkondig Ik u dat de HEER u een huis zal bouwen.

11

En het zal geschieden, wanneer uw dagen vervuld zijn en gij heengaan moet om bij uw vaderen te zijn, dat Ik uw zaad na u zal verwekken, dat uit uw zonen zal zijn, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.