1 Kronieken 7:20
“En de zonen van Efraïm: Sutelah, en Bered zijn zoon, en Tahath zijn zoon, en Eladah zijn zoon, en Tahath zijn zoon,”
Kruisverwijzingen
Context
1 Kronieken 7 — omringende verzen
En Machir nam tot vrouw de zuster van Huppim en Suppim, wier naam was Maächa; en de naam van de tweede was Zelafead; en Zelafead had dochters.
16En Maächa, de vrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres; en de naam van zijn broeder was Seres; en zijn zonen waren Ulam en Rakem.
17En de zonen van Ulam: Bedan. Dit waren de zonen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse.
18En zijn zuster Hammoleketh baarde Ishod, en Abiëzer, en Mahalah.
19En de zonen van Schemida waren: Ahian, en Sichem, en Likhi, en Aniam.
En de zonen van Efraïm: Sutelah, en Bered zijn zoon, en Tahath zijn zoon, en Eladah zijn zoon, en Tahath zijn zoon,
En Zabad zijn zoon, en Sutelah zijn zoon, en Ezer, en Elead, die de mannen van Gath die in dat land geboren waren doodgeslagen hebben, omdat zij afgekomen waren om hun vee weg te nemen.
22En Efraïm hun vader rouwde vele dagen, en zijn broeders kwamen om hem te troosten.
23En toen hij tot zijn vrouw inging, ontving zij en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Beria, omdat het kwalijk gegaan was met zijn huis.
24(En zijn dochter was Seëra, die Bet-Horon beneden en het bovenste bouwde, en Uzzen-Seëra.)
25En Repha was zijn zoon, ook Resef, en Telah zijn zoon, en Tahan zijn zoon.