Terug naar 1 Samuël 12
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 12:7

Nu dan, staat stil, opdat ik met u redetwiste voor het aangezicht des HEREN over al de gerechtige daden des HEREN, die Hij aan u en aan uw vaderen gedaan heeft.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 12 — omringende verzen

2

En nu, zie, de koning wandelt voor uw aangezicht; en ik ben oud en grijs geworden; en zie, mijn zonen zijn bij u; en ik heb voor uw aangezicht gewandeld van mijn jeugd af tot op deze dag.

3

Zie, hier ben ik; getuigt tegen mij voor het aangezicht des HEREN en voor Zijn gezalfde: wiens os heb ik genomen? of wiens ezel heb ik genomen? of wie heb ik bedrogen? wie heb ik verdrukt? of van wiens hand heb ik enige omkoping ontvangen om mijn ogen daarmee te verblinden? en ik zal het u teruggeven.

4

En zij zeiden: Gij hebt ons niet bedrogen, noch verdrukt, noch hebt gij iets uit iemands hand genomen.

5

En hij zeide tot hen: De HEER is getuige tegen u, en Zijn gezalfde is heden getuige, dat gij niets in mijn hand gevonden hebt. En zij antwoordden: Hij is getuige.

6

En Samuël zeide tot het volk: Het is de HEER Die Mozes en Aäron aangesteld heeft, en Die uw vaderen uit het land Egypte heeft opgevoerd.

7

Nu dan, staat stil, opdat ik met u redetwiste voor het aangezicht des HEREN over al de gerechtige daden des HEREN, die Hij aan u en aan uw vaderen gedaan heeft.

8

Toen Jakob in Egypte gekomen was, en uw vaderen tot de HEER riepen, zond de HEER Mozes en Aäron, die uw vaderen uit Egypte leidden en hen in deze plaats deden wonen.

9

Maar toen zij de HEER hun God vergaten, verkocht Hij hen in de hand van Sisera, de legeroverste van Hazor, en in de hand van de Filistijnen, en in de hand van de koning van Moab, en zij streden tegen hen.

10

En zij riepen tot de HEER en zeiden: Wij hebben gezondigd, want wij hebben de HEER verlaten en de Baäls en de Astarten gediend; maar red ons nu uit de hand van onze vijanden, en wij zullen U dienen.

11

En de HEER zond Jerubbaal, en Bedan, en Jefta, en Samuël, en verloste u uit de hand van uw vijanden van rondom, en gij woonde in veiligheid.

12

En toen gij zaagt dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u optrok, zeide gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; terwijl de HEER uw God uw Koning was.