1 Samuël 13:21
“Nochtans hadden zij een vijl voor de houweelen, en voor de ploegijzers, en voor de vorken, en voor de bijlen, en om de prikkels te scherpen.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 13 — omringende verzen
En Saul, en Jonathan zijn zoon, en het volk dat bij hen aanwezig was, bleven in Gibea van Benjamin; maar de Filistijnen legerden zich in Michmash.
17En de plunderaars trokken uit uit het kamp der Filistijnen in drie compagnieën: één compagnie wendde zich naar de weg die leidt naar Ofra, naar het land Sual;
18en een andere compagnie wendde zich naar de weg van Beth-Horon; en een andere compagnie wendde zich naar de weg van de grens die uitziet op de vallei van Zeboïm, naar de woestijn.
19En er werd geen smid gevonden door het gehele land van Israël; want de Filistijnen zeiden: Opdat de Hebreeën zich geen zwaard of speer maken.
20Maar al de Israëlieten gingen af naar de Filistijnen, om ieder zijn ploegschaar, en zijn ploegijzer, en zijn bijl, en zijn houweel te laten scherpen.
Nochtans hadden zij een vijl voor de houweelen, en voor de ploegijzers, en voor de vorken, en voor de bijlen, en om de prikkels te scherpen.
Zo geschiedde het op de dag van de strijd, dat er noch zwaard noch speer gevonden werd in de hand van enig volk dat bij Saul en Jonathan was; maar bij Saul en bij Jonathan zijn zoon werd er één gevonden.
23En het garnizoen der Filistijnen trok uit naar de doorgang van Michmash.