1 Samuël 2:1
“En Hanna bad en zei: Mijn hart verheugt zich in de HEER, mijn hoorn is verhoogd in de HEER; mijn mond is wijd opengedaan tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil.”
Kruisverwijzingen
Context
1 Samuël 2 — omringende verzen
En Hanna bad en zei: Mijn hart verheugt zich in de HEER, mijn hoorn is verhoogd in de HEER; mijn mond is wijd opengedaan tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil.
Er is niemand heilig als de HEER, want er is niemand behalve U, en er is geen rots zoals onze God.
3Spreekt niet langer zo buitenmate trots; laat geen hoogmoed uit uw mond komen, want de HEER is een God van wetenschap, en door Hem worden de daden gewogen.
4De bogen der geweldigen zijn gebroken, en die struikelden, zijn omgord met kracht.
5Zij die verzadigd waren, hebben zich voor brood verhuurd, en zij die honger hadden, zijn opgehouden; zodat de onvruchtbare er zeven gebaard heeft, en zij die vele kinderen had, krachteloos geworden is.
6De HEER doodt en maakt levend; Hij doet nederdalen naar het graf en doet opkomen.