Terug naar 1 Samuël 22
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 22:14

Toen antwoordde Ahimelech de koning en zeide: En wie is er zo trouw onder al uw dienaren als David, die des konings schoonzoon is, en uw bevelen opvolgt, en geëerd is in uw huis?

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 22 — omringende verzen

9

Toen antwoordde Doëg, de Edomiet, die aangesteld was over de dienaren van Saul, en zeide: Ik zag de zoon van Isaï komen te Nob, bij Ahimelech, de zoon van Ahitub.

10

En hij ondervroeg de HEER voor hem, en gaf hem proviand, en gaf hem het zwaard van Goliath, de Filistijn.

11

Toen zond de koning om Ahimelech, de priester, de zoon van Ahitub, te roepen, en het gehele huis van zijn vader, de priesters die in Nob waren; en zij kwamen allen tot de koning.

12

En Saul zeide: Hoor toch, gij zoon van Ahitub. En hij antwoordde: Hier ben ik, mijn heer.

13

En Saul zeide tot hem: Waarom hebt gij tegen mij samengespannen, gij en de zoon van Isaï, doordat gij hem brood gegeven hebt en een zwaard, en God voor hem ondervraagd hebt, opdat hij zich tegen mij zou oprichten om op te loeren, zoals op deze dag?

14

Toen antwoordde Ahimelech de koning en zeide: En wie is er zo trouw onder al uw dienaren als David, die des konings schoonzoon is, en uw bevelen opvolgt, en geëerd is in uw huis?

15

Heb ik toen voor het eerst God voor hem ondervraagd? Dat zij verre van mij! Laat de koning zijn dienaar niets toerekenen, noch het gehele huis van mijn vader; want uw dienaar heeft van dit alles niets geweten, noch weinig noch veel.

16

En de koning zeide: Gij zult zeker sterven, Ahimelech, gij en het gehele huis van uw vader.

17

En de koning zeide tot de schildwachten die rondom hem stonden: Wendt u en doodt de priesters des HEREN; want ook hun hand is met David, en omdat zij wisten wanneer hij vluchtte en het mij niet hebben bekendgemaakt. Maar de dienaren des konings wilden hun hand niet uitstrekken om op de priesters des HEREN te vallen.

18

En de koning zeide tot Doëg: Wend u en val op de priesters. En Doëg, de Edomiet, wendde zich en hij viel op de priesters, en hij doodde op die dag vijfentachtig man die een linnen efod droegen.

19

En Nob, de stad van de priesters, sloeg hij met de scherpte des zwaards, zowel mannen als vrouwen, kinderen en zuigelingen, ossen en ezels en schapen, met de scherpte des zwaards.