Terug naar 1 Samuël 26
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 26:12

Zo nam David de speer en de waterkruik van bij het hoofdeinde van Saul, en zij gingen weg; en niemand zag het, noch wist het, noch werd wakker, want zij sliepen allen; want een diepe slaap van de HEER was op hen gevallen.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 26 — omringende verzen

7

Zo kwamen David en Abisai 's nachts bij het volk; en zie, Saul lag te slapen binnen de legerplaats, met zijn speer gestoken in de grond bij zijn hoofdeinde; en Abner en het volk lagen rondom hem.

8

Toen zei Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand overgeleverd; laat mij hem dan toch met de speer doorboren, tot in de aarde, in één slag, en ik zal hem geen tweede slag geven.

9

Maar David zei tot Abisai: Dood hem niet; want wie kan zijn hand uitstrekken tegen de gezalfde des HEREN en onschuldig blijven?

10

En David zei verder: Zo waar de HEER leeft, de HEER zal hem treffen; of zijn dag zal komen dat hij sterft, of hij zal ten strijde optrekken en omkomen.

11

De HEER verhoede dat ik mijn hand zou uitstrekken tegen de gezalfde des HEREN; maar neem toch nu de speer die bij zijn hoofdeinde staat, en de waterkruik, en laten wij gaan.

12

Zo nam David de speer en de waterkruik van bij het hoofdeinde van Saul, en zij gingen weg; en niemand zag het, noch wist het, noch werd wakker, want zij sliepen allen; want een diepe slaap van de HEER was op hen gevallen.

13

Daarna ging David naar de overzijde en stond op de top van een berg in de verte; er was een grote afstand tussen hen.

14

En David riep tot het volk en tot Abner, de zoon van Ner: Geeft gij geen antwoord, Abner? Toen antwoordde Abner: Wie zijt gij, die tot de koning roept?

15

En David zei tot Abner: Zijt gij geen dapper man? En wie is u gelijk in Israël? Waarom hebt gij dan uw heer, de koning, niet bewaakt? Want er is een van het volk ingekomen om de koning, uw heer, te doden.

16

Dit is niet goed wat gij gedaan hebt. Zo waar de HEER leeft, gij verdient de dood, omdat gij uw meester, de gezalfde des HEREN, niet bewaakt hebt. Zie nu waar de speer van de koning is, en de waterkruik die bij zijn hoofdeinde stond.

17

En Saul herkende de stem van David en zei: Is dat uw stem, mijn zoon David? En David zei: Het is mijn stem, mijn heer, o koning.