Terug naar 1 Samuël 26
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 26:6

Toen antwoordde David en zei tot Achimelech de Hethiet en tot Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: Wie gaat er met mij naar Saul naar het kamp? En Abisai zei: Ik ga met u mee.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 26 — omringende verzen

1

En de Zifieten kwamen tot Saul te Gibea en zeiden: Verbergt David zich niet op de heuvel Hachila, tegenover de wildernis?

2

Toen stond Saul op en daalde neer naar de woestijn van Zif, met drieduizend uitgelezen mannen van Israël bij zich, om David te zoeken in de woestijn van Zif.

3

En Saul legerde zich op de heuvel Hachila, die tegenover de wildernis ligt, bij de weg. Maar David verbleef in de woestijn, en hij zag dat Saul hem naging in de woestijn.

4

David zond dan verspieders uit en begreep dat Saul werkelijk gekomen was.

5

En David stond op en ging naar de plaats waar Saul zijn kamp had opgeslagen; en David zag de plaats waar Saul lag, met Abner, de zoon van Ner, de aanvoerder van zijn leger. Saul lag in de legerplaats en het volk lag rondom hem gelegerd.

6

Toen antwoordde David en zei tot Achimelech de Hethiet en tot Abisai, de zoon van Zeruja, de broer van Joab: Wie gaat er met mij naar Saul naar het kamp? En Abisai zei: Ik ga met u mee.

7

Zo kwamen David en Abisai 's nachts bij het volk; en zie, Saul lag te slapen binnen de legerplaats, met zijn speer gestoken in de grond bij zijn hoofdeinde; en Abner en het volk lagen rondom hem.

8

Toen zei Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand overgeleverd; laat mij hem dan toch met de speer doorboren, tot in de aarde, in één slag, en ik zal hem geen tweede slag geven.

9

Maar David zei tot Abisai: Dood hem niet; want wie kan zijn hand uitstrekken tegen de gezalfde des HEREN en onschuldig blijven?

10

En David zei verder: Zo waar de HEER leeft, de HEER zal hem treffen; of zijn dag zal komen dat hij sterft, of hij zal ten strijde optrekken en omkomen.

11

De HEER verhoede dat ik mijn hand zou uitstrekken tegen de gezalfde des HEREN; maar neem toch nu de speer die bij zijn hoofdeinde staat, en de waterkruik, en laten wij gaan.