Terug naar 1 Samuël 29
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 29:8

En David zei tot Achis: Maar wat heb ik gedaan, en wat hebt u in uw dienaar gevonden zolang ik bij u ben geweest tot op deze dag, dat ik niet mag gaan strijden tegen de vijanden van mijn heer de koning?

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 29 — omringende verzen

3

Toen zeiden de vorsten van de Filistijnen: Wat doen deze Hebreeën hier? En Achis zei tot de vorsten van de Filistijnen: Is dit niet David, de dienaar van Saul, de koning van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is, en ik heb geen kwaad in hem gevonden vanaf de dag dat hij tot mij overliep tot op deze dag?

4

En de vorsten van de Filistijnen werden toornig op hem; en de vorsten van de Filistijnen zeiden tot hem: Doe deze man terugkeren, opdat hij teruggaat naar zijn plaats die u hem aangewezen hebt, en laat hem niet met ons ten strijde trekken, opdat hij niet in de strijd een tegenstander voor ons wordt; want waarmee zou hij zich met zijn heer verzoenen? Zou het niet zijn met de hoofden van deze mannen?

5

Is dit niet David, van wie zij elkander toezingen in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, en David zijn tienduizenden?

6

Toen riep Achis David en zei tot hem: Zo waarachtig als de HEER leeft, u bent oprecht geweest, en uw uitgang en uw ingang bij mij in het leger is goed in mijn ogen; want ik heb geen kwaad in u gevonden vanaf de dag van uw komst tot mij tot op deze dag; maar in de ogen van de vorsten vindt u geen genade.

7

Keer daarom nu terug en ga in vrede, opdat u de vorsten van de Filistijnen niet mishagt.

8

En David zei tot Achis: Maar wat heb ik gedaan, en wat hebt u in uw dienaar gevonden zolang ik bij u ben geweest tot op deze dag, dat ik niet mag gaan strijden tegen de vijanden van mijn heer de koning?

9

En Achis antwoordde en zei tot David: Ik weet dat u goed bent in mijn ogen als een engel Gods; maar de vorsten van de Filistijnen hebben gezegd: Hij zal niet met ons optrekken naar de strijd.

10

Sta daarom nu vroeg in de morgen op met de dienaren van uw heer die met u gekomen zijn; en zodra u vroeg in de morgen opstaat en het licht wordt, vertrek dan.

11

Zo stonden David en zijn mannen vroeg op om in de morgen te vertrekken en terug te keren naar het land van de Filistijnen. En de Filistijnen trokken op naar Jizreël.