Terug naar 1 Samuël 9
VSV
Statenvertaling

1 Samuël 9:10

Toen zei Saul tegen zijn knecht: Goed gezegd; kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad waar de man Gods was.

Kruisverwijzingen

Context

1 Samuël 9 — omringende verzen

5

Toen zij in het land Zuf gekomen waren, zei Saul tegen zijn knecht die bij hem was: Kom, laat ons terugkeren, opdat mijn vader niet ophoudt zich om de ezelinnen te bekommeren en zich om ons bekommert.

6

En hij zei tegen hem: Zie toch, er is in deze stad een man Gods, en die man is eervol; alles wat hij zegt, komt zeker uit. Laten wij nu daarheen gaan; misschien kan hij ons onze weg wijzen die wij gaan moeten.

7

Toen zei Saul tegen zijn knecht: Maar zie, als wij gaan, wat zullen wij de man dan brengen? Want het brood is op in onze zakken, en er is geen geschenk om de man Gods te brengen. Wat hebben wij?

8

En de knecht antwoordde Saul opnieuw, en zei: Zie, ik heb hier bij de hand een vierde deel van een sikkel zilver; dat zal ik de man Gods geven, opdat hij ons onze weg wijst.

9

(Vroeger in Israël, wanneer een man God ging raadplegen, sprak hij aldus: Kom, laat ons naar de ziener gaan; want hij die nu een profeet genoemd wordt, werd vroeger een ziener genoemd.)

10

Toen zei Saul tegen zijn knecht: Goed gezegd; kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad waar de man Gods was.

11

Toen zij de heuvel opgingen naar de stad, troffen zij jonge maagden aan die uitgingen om water te putten, en zij zeiden tot hen: Is de ziener hier?

12

En zij antwoordden hun, en zeiden: Ja; zie, hij is vóór u. Haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, omdat er heden een offer van het volk is op de hoogte.

13

Zodra gij in de stad komt, zult gij hem terstond vinden, voordat hij naar de hoogte opgaat om te eten; want het volk zal niet eten totdat hij komt, omdat hij het offer zegent; en daarna eten degenen die genodigd zijn. Ga nu dus op, want omstreeks deze tijd zult gij hem vinden.

14

En zij gingen op naar de stad. Toen zij in de stad gekomen waren, zie, toen kwam Samuël naar buiten, hun tegemoet, om naar de hoogte op te gaan.

15

Nu had de HEER Samuël een dag voordat Saul kwam, in het oor geopenbaard, zeggende: