2 Koningen 10:1
“En Ahab had zeventig zonen in Samaria. En Jehu schreef brieven en zond die naar Samaria, aan de oversten van Jizreël, de oudsten en de opvoeders van de zonen van Ahab, zeggende:”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 10 — omringende verzen
En Ahab had zeventig zonen in Samaria. En Jehu schreef brieven en zond die naar Samaria, aan de oversten van Jizreël, de oudsten en de opvoeders van de zonen van Ahab, zeggende:
Nu, zodra deze brief bij u aankomt, terwijl de zonen van uw heer bij u zijn, en er zijn bij u wagens en paarden, een versterkte stad ook en wapenuitrusting:
3Kijkt uit de beste en bekwaamste van de zonen van uw heer, en zet hem op de troon van zijn vader en strijdt voor het huis van uw heer.
4Maar zij waren zeer bevreesd en zeiden: Zie, twee koningen konden geen stand houden voor hem; hoe zullen wij dan standhouden?
5En hij die over het huis was gesteld en hij die over de stad was gesteld, de oudsten ook en de opvoeders van de kinderen, zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten en zullen alles doen wat gij ons gebiedt; wij zullen niemand tot koning maken; doet gij wat goed is in uw ogen.
6Toen schreef hij hun een tweede brief, zeggende: Indien gij van mij zijt en indien gij naar mijn stem wilt luisteren, neemt de hoofden van de mannen, de zonen van uw heer, en komt morgen om deze tijd bij mij in Jizreël. Nu waren de koningszonen, zeventig personen, bij de aanzienlijken van de stad, die hen hadden opgevoed.