2 Koningen 10:29
“Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, week Jehu niet af, van de gouden kalveren die in Bethel en die in Dan waren.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 10 — omringende verzen
En toen zij naar binnen gingen om offers en brandoffers te brengen, stelde Jehu tachtig mannen buiten op en zei: Als enige van de mannen die ik in uw handen gegeven heb, ontsnapt, zal zijn leven in de plaats komen van het leven van hem die hem laat gaan.
25En het geschiedde, zodra hij het brandoffer had beëindigd, dat Jehu tot de lijfwacht en de hoofdlieden zei: Gaat naar binnen en doodt hen; laat niemand naar buiten gaan. En zij sloegen hen met de scherpte des zwaards; en de lijfwacht en de hoofdlieden wierpen hen naar buiten en gingen naar de stad van het huis van Baäl.
26En zij brachten de beelden uit het huis van Baäl en verbrandden die.
27En zij braken het beeld van Baäl neer en braken het huis van Baäl af en maakten het tot een privaat, tot op deze dag.
28Zo vernietigde Jehu de Baäl uit Israël.
Maar van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen, week Jehu niet af, van de gouden kalveren die in Bethel en die in Dan waren.
En de HEER zei tot Jehu: Omdat gij goed gedaan hebt door te doen wat recht is in Mijn ogen, en aan het huis van Ahab gedaan hebt naar alles wat in Mijn hart was, zullen uw zonen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten.
31Maar Jehu bewaakte het niet om te wandelen in de wet van de HEER, de God van Israël, met zijn gehele hart; want hij week niet af van de zonden van Jerobeam, die Israël deed zondigen.
32In die dagen begon de HEER Israël te beknotten; en Hazaël sloeg hen op alle grenzen van Israël,
33van de Jordaan oostwaarts, het gehele land van Gilead, de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten, van Aroër af, dat aan de rivier de Arnon ligt, zelfs Gilead en Basan.
34Het overige nu van de daden van Jehu en al wat hij deed en al zijn macht, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Israël?