2 Koningen 13:18
“En hij zeide: Neem de pijlen. En hij nam ze. En hij zeide tot de koning van Israël: Sla op de grond. En hij sloeg driemaal en hield op.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 13 — omringende verzen
En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon; en Joas werd begraven in Samaria bij de koningen van Israël.
14Elisa nu was ziek geworden aan zijn ziekte waaraan hij sterven zou. En Joas, de koning van Israël, kwam tot hem af en weende over zijn aangezicht en zeide: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiters!
15En Elisa zeide tot hem: Neem boog en pijlen. En hij nam boog en pijlen tot zich.
16En hij zeide tot de koning van Israël: Leg uw hand op de boog. En hij legde zijn hand daarop. En Elisa legde zijn handen op de handen des konings.
17En hij zeide: Open het venster naar het oosten. En hij opende het. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Een pijl der verlossing des HEREN, ja, een pijl der verlossing tegen Syrië; want gij zult de Syriërs slaan te Afek, totdat gij hen verteerd hebt.
En hij zeide: Neem de pijlen. En hij nam ze. En hij zeide tot de koning van Israël: Sla op de grond. En hij sloeg driemaal en hield op.
En de man Gods werd toornig op hem en zeide: Gij hadt vijf of zes maal moeten slaan; dan zoudt gij Syrië geslagen hebben totdat gij het verteerd hadt. Maar nu zult gij Syrië slechts driemaal slaan.
20En Elisa stierf, en zij begroeven hem. En de benden der Moabieten vielen in het land, bij het ingaan van het jaar.
21En het geschiedde, toen zij een man begroeven, dat zij, zie, een bende zagen; en zij wierpen de man in het graf van Elisa. En toen de man neerkwam en de beenderen van Elisa aanraakte, werd hij levend en stond op zijn voeten.
22Maar Hazaël, koning van Syrië, verdrukte Israël al de dagen van Joahaz.
23En de HEER was hun genadig en ontfermde Zich over hen, en wendde Zijn aangezicht tot hen vanwege Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob, en wilde hen niet verdelgen, noch wierp Hij hen nog van Zijn aangezicht weg.