Terug naar 2 Koningen 15
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 15:20

En Menahem hief het geld op van Israël, van alle vermogende mannen, van ieder man vijftig sikkel zilver, om het aan de koning van Assyrië te geven. Zo keerde de koning van Assyrië terug en bleef niet in het land.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 15 — omringende verzen

15

En de rest van de daden van Sallum, en de samenzwering die hij smeedde, zie, die zijn beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israël.

16

Toen versloeg Menahem Tifsa, en alles wat daarin was, en zijn grenzen vanuit Tirza; omdat zij hem niet opendeden, sloeg hij het; en alle zwangere vrouwen daarin reet hij open.

17

In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, begon Menahem, de zoon van Gadi, over Israël te regeren, en hij regeerde tien jaar in Samaria.

18

En hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEER; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.

19

En Pul, de koning van Assyrië, trok op tegen het land; en Menahem gaf Pul duizend talenten zilver, opdat zijn hand met hem zou zijn om het koninkrijk in zijn hand te bevestigen.

20

En Menahem hief het geld op van Israël, van alle vermogende mannen, van ieder man vijftig sikkel zilver, om het aan de koning van Assyrië te geven. Zo keerde de koning van Assyrië terug en bleef niet in het land.

21

En de rest van de daden van Menahem, en alles wat hij deed, zijn die niet beschreven in het boek van de kronieken der koningen van Israël?

22

En Menahem ontsliep met zijn vaderen; en Pekahia, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

23

In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, begon Pekahia, de zoon van Menahem, over Israël te regeren in Samaria, en hij regeerde twee jaar.

24

En hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEER; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen.

25

Maar Peka, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, spande een samenzwering tegen hem, en sloeg hem in Samaria, in het paleis van het koninklijk huis, met Argob en Arje, en bij hem vijftig man van de Gileadieten; en hij doodde hem en regeerde in zijn plaats.