2 Koningen 16:14
“En het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEER stond, bracht hij weg van de voorzijde van het huis, van de ruimte tussen het altaar en het huis van de HEER, en plaatste het aan de noordzijde van het altaar.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 16 — omringende verzen
En de koning van Assyrië luisterde naar hem; want de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, nam het in, en voerde zijn bevolking gevankelijk naar Kir, en doodde Rezin.
10En koning Ahaz ging naar Damascus om Tiglath-Pileser, de koning van Assyrië, te ontmoeten, en zag een altaar dat in Damascus stond; en koning Ahaz zond aan de priester Urija de afbeelding en het ontwerp van het altaar, naar al zijn maaksel.
11En de priester Urija bouwde een altaar overeenkomstig alles wat koning Ahaz uit Damascus had gezonden; zo maakte de priester Urija het, voordat koning Ahaz terugkwam uit Damascus.
12En toen de koning uit Damascus was teruggekomen, zag de koning het altaar; en de koning naderde het altaar en offerde daarop.
13En hij ontstak zijn brandoffer en zijn spijsoffer, en goot zijn plengoffer, en sprenkelde het bloed van zijn vredeoffers op het altaar.
En het koperen altaar, dat voor het aangezicht van de HEER stond, bracht hij weg van de voorzijde van het huis, van de ruimte tussen het altaar en het huis van de HEER, en plaatste het aan de noordzijde van het altaar.
En koning Ahaz gebood de priester Urija: Op het grote altaar moet u het morgenbrandoffer en het avondspijsoffer ontsteken, en het brandoffer van de koning en zijn spijsoffer, met het brandoffer van heel het volk des lands, en hun spijsoffer en hun plengoffers; en al het bloed van het brandoffer en al het bloed van het offer moet u daarop sprenkelen; maar het koperen altaar zal mij dienen om bij te raadplegen.
16En de priester Urija deed overeenkomstig alles wat koning Ahaz gebood.
17En koning Ahaz sloeg de randen van de onderstellen af en verwijderde de wasvaten daarvandaan; en de zee nam hij weg van de koperen ossen die eronder stonden, en plaatste haar op een vloer van stenen.
18En de overdekte zuilengang voor de sabbat die zij in het huis hadden gebouwd, en de buitenste koninklijke doorgang, verwijderde hij van het huis van de HEER, ter wille van de koning van Assyrië.
19Het overige nu van de daden van Ahaz die hij deed, is dat niet geschreven in het boek van de kronieken van de koningen van Juda?