Terug naar 2 Koningen 23
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 23:4

En de koning gebood Hilkia, de hogepriester, en de priesters van de tweede orde, en de poortwachters, om uit de tempel van de HEER alle voorwerpen te halen die voor de Baäl, voor het woud en voor heel het heer des hemels gemaakt waren; en hij verbrandde ze buiten Jeruzalem, op de velden van de Kidron, en droeg het as ervan naar Bethel.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 23 — omringende verzen

1

Toen zond de koning, en men vergaderde bij hem al de oudsten van Juda en Jeruzalem.

2

En de koning ging op naar het huis van de HEER, en alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem met hem, en de priesters en de profeten en al het volk, klein en groot; en hij las hun alle woorden voor van het boek van het verbond dat in het huis van de HEER gevonden was.

3

En de koning stond bij de pilaar en sloot een verbond voor het aangezicht van de HEER, om de HEER te volgen en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn inzettingen te onderhouden met heel zijn hart en heel zijn ziel, om de woorden van dit verbond die in dit boek geschreven staan te bevestigen. En al het volk trad toe tot het verbond.

4

En de koning gebood Hilkia, de hogepriester, en de priesters van de tweede orde, en de poortwachters, om uit de tempel van de HEER alle voorwerpen te halen die voor de Baäl, voor het woud en voor heel het heer des hemels gemaakt waren; en hij verbrandde ze buiten Jeruzalem, op de velden van de Kidron, en droeg het as ervan naar Bethel.

5

En hij schafte de afgodspriesters af, die de koningen van Juda aangesteld hadden om reukoffers te brengen op de hoogten in de steden van Juda en in de omgeving van Jeruzalem; alsmede degenen die reukoffers brachten voor de Baäl, voor de zon, voor de maan, voor de sterrenbeelden en voor heel het heer des hemels.

6

En hij bracht het woud uit het huis van de HEER naar buiten Jeruzalem, naar de beek Kidron, en verbrandde het bij de beek Kidron, en vermaalde het tot stof, en wierp het stof ervan op de graven van de kinderen des volks.

7

En hij brak de huizen af van de mannelijke tempelprostitués die bij het huis van de HEER waren, waar de vrouwen gewaden weefden voor het woud.

8

En hij haalde alle priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten waar de priesters reukoffers hadden gebracht, van Geba tot Berseba; en hij brak de hoogtealtaren af bij de poorten, die bij de ingang van de poort van Jozua, de stadsbestuurder, stonden, aan de linkerhand van iemand die de stadspoort ingaat.

9

Nochtans kwamen de priesters van de hoogten niet op tot het altaar van de HEER in Jeruzalem, maar zij aten ongezuurd brood onder hun broeders.