2 Koningen 3:2
“En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN; maar niet zoals zijn vader en zijn moeder: want hij deed het beeld van Baäl weg dat zijn vader gemaakt had.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 3 — omringende verzen
Nu begon Jehoram, de zoon van Ahab, over Israël te regeren te Samaria in het achttiende jaar van Josafat, de koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaar.
En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN; maar niet zoals zijn vader en zijn moeder: want hij deed het beeld van Baäl weg dat zijn vader gemaakt had.
Toch kleefde hij aan de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af.
4En Mescha, de koning van Moab, was een schaaphouder en leverde aan de koning van Israël honderdduizend lammeren en honderdduizend rammen met de wol.
5Maar het geschiedde, toen Ahab gestorven was, dat de koning van Moab in opstand kwam tegen de koning van Israël.
6En koning Jehoram trok op die tijd uit Samaria en liet heel Israël tellen.
7En hij ging heen en zond bericht aan Josafat, de koning van Juda: De koning van Moab is tegen mij in opstand gekomen; wilt gij met mij optrekken tegen Moab ten strijde? En hij zei: Ik zal optrekken; ik ben als gij en mijn volk als uw volk en mijn paarden als uw paarden.