Terug naar 2 Koningen 6
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 6:28

En de koning zeide tot haar: Wat is u? En zij antwoordde: Deze vrouw zeide tot mij: Geef uw zoon, opdat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 6 — omringende verzen

23

En hij bereidde een grote maaltijd voor hen; en nadat zij gegeten en gedronken hadden, zond hij hen weg en zij gingen naar hun heer. En de benden van Syrië kwamen niet meer in het land Israël.

24

En het geschiedde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn ganse heerschare vergaderde en optrok en Samaria belegerde.

25

En er was een grote honger in Samaria; en zie, zij belegerden het, totdat een ezelskop voor tachtig zilverstukken verkocht werd, en het vierde deel van een kab duivenmest voor vijf zilverstukken.

26

En toen de koning van Israël langs de muur voortging, riep een vrouw tot hem, zeggende: Help, mijn heer, o koning.

27

En hij zeide: Indien de HEER u niet helpt, vanwaar zal ik u helpen? Van de dorsvloer of van de perskuip?

28

En de koning zeide tot haar: Wat is u? En zij antwoordde: Deze vrouw zeide tot mij: Geef uw zoon, opdat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten.

29

Zo hebben wij mijn zoon gekookt en gegeten; en ik zeide tot haar de volgende dag: Geef uw zoon, opdat wij hem eten; maar zij heeft haar zoon verborgen.

30

En het geschiedde, toen de koning de woorden van de vrouw hoorde, dat hij zijn klederen scheurde; en hij ging voort langs de muur, en het volk zag toe, en zie, hij had een rouwkleed aan op zijn vlees van binnen.

31

Toen zeide hij: God doe mij zo en nog meer, indien het hoofd van Elisa, de zoon van Safat, heden op hem blijft staan.

32

Maar Elisa zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem; en de koning zond een man vóór zich uit; maar eer de bode tot hem gekomen was, zeide hij tot de oudsten: Ziet gij hoe deze zoon van een moordenaar gezonden heeft om mijn hoofd weg te nemen? Ziet toe, wanneer de bode komt, sluit dan de deur en houdt hem vast aan de deur; is niet het geluid van de voeten van zijn heer achter hem?

33

En terwijl hij nog met hen sprak, zie, de bode daalde tot hem neder; en hij zeide: Zie, dit kwaad is van de HEER; wat zal ik verder op de HEER wachten?