Terug naar 2 Koningen 9
VSV
Statenvertaling

2 Koningen 9:21

En Joram zei: Span in. En zijn strijdwagen werd ingespannen. En Joram, de koning van Israël, en Ahazia, de koning van Juda, trokken uit, ieder in zijn strijdwagen, en zij trokken Jehu tegemoet en troffen hem aan op het stuk land van Naboth, de Jizreëliet.

Kruisverwijzingen

Context

2 Koningen 9 — omringende verzen

16

Zo reed Jehu in een strijdwagen en trok naar Jizreël; want Joram lag daar. En Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen om Joram te bezoeken.

17

En een wachter stond op de toren in Jizreël, en hij zag de troep van Jehu toen hij naderde, en zei: Ik zie een troep. En Joram zei: Neem een ruiter en stuur hem hun tegemoet, en laat hem zeggen: Is het vrede?

18

Zo reed er een ruiter uit om hem tegemoet te gaan, en zei: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zei: Wat hebt gij met vrede te maken? Keer u achter mij. En de wachter berichtte het, zeggende: De bode is bij hen gekomen, maar hij keert niet terug.

19

Toen zond hij een tweede ruiter uit, die bij hen kwam en zei: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu antwoordde: Wat hebt gij met vrede te maken? Keer u achter mij.

20

En de wachter berichtte het, zeggende: Hij is tot bij hen gekomen, maar keert niet terug; en het rijden is als het rijden van Jehu, de zoon van Nimsi, want hij rijdt als een razende.

21

En Joram zei: Span in. En zijn strijdwagen werd ingespannen. En Joram, de koning van Israël, en Ahazia, de koning van Juda, trokken uit, ieder in zijn strijdwagen, en zij trokken Jehu tegemoet en troffen hem aan op het stuk land van Naboth, de Jizreëliet.

22

En het geschiedde, toen Joram Jehu zag, dat hij zei: Is het vrede, Jehu? En hij antwoordde: Welke vrede, zolang de hoererijen van uw moeder Izebel en haar toverijen zo talrijk zijn?

23

En Joram keerde zijn handen om en vluchtte, en zei tot Ahazia: Het is verraad, Ahazia!

24

En Jehu spande zijn boog met zijn volle kracht en trof Joram tussen zijn schouders, zodat de pijl door zijn hart ging en hij in zijn strijdwagen ineenzakte.

25

Toen zei Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem hem op en werp hem op het stuk land van Naboth, de Jizreëliet; want gedenk hoe de HEER deze last over hem uitsprak toen ik en gij samen achter Ahab, zijn vader, reden:

26

Voorwaar, Ik heb gisteren het bloed van Naboth en het bloed van zijn zonen gezien, spreekt de HEER; en Ik zal het u vergelden op dit stuk land, spreekt de HEER. Neem hem nu dan en werp hem op het stuk land, overeenkomstig het woord van de HEER.