2 Koningen 9:35
“En zij gingen om haar te begraven, maar zij vonden van haar niets meer dan de schedel, de voeten en de handpalmen.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Koningen 9 — omringende verzen
En toen Jehu in Jizreël aankwam, hoorde Izebel het; en zij verfde haar gezicht, tooide haar hoofd en keek door een venster naar buiten.
31En toen Jehu door de poort binnenkwam, zei zij: Is het Zimri wel gegaan, die zijn heer doodde?
32En hij hief zijn gezicht op naar het venster en zei: Wie is aan mijn zijde? Wie? En twee of drie hovelingen keken op hem neer.
33En hij zei: Werp haar naar beneden. Zo wierpen zij haar naar beneden; en een deel van haar bloed werd gesprenkeld op de muur en op de paarden, en hij vertrad haar.
34En toen hij naar binnen gegaan was, at en dronk hij, en zei: Ziet nu naar die vervloekte vrouw om en begraaft haar, want zij is een koningsdochter.
En zij gingen om haar te begraven, maar zij vonden van haar niets meer dan de schedel, de voeten en de handpalmen.
Daarom kwamen zij terug en berichtten het hem. En hij zei: Dit is het woord van de HEER, dat Hij gesproken heeft door Zijn knecht Elia, de Tisbiet, zeggende: Op het stuk land van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.
37En het lichaam van Izebel zal zijn als mest op het oppervlak van het veld op het stuk land van Jizreël, zodat men niet zal zeggen: Dit is Izebel.