2 Kronieken 19:2
“En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging hem tegemoet, en zei tot koning Jehoshafat: Behoorde gij de goddelozen te helpen en hen lief te hebben die de HEER haten? Daarom rust op u de toorn van de HEER.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 19 — omringende verzen
En Jehoshafat, de koning van Juda, keerde terug naar zijn huis in vrede te Jeruzalem.
En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging hem tegemoet, en zei tot koning Jehoshafat: Behoorde gij de goddelozen te helpen en hen lief te hebben die de HEER haten? Daarom rust op u de toorn van de HEER.
Doch er zijn goede dingen in u gevonden, want gij hebt de gewijde palen uit het land weggedaan en uw hart gericht om God te zoeken.
4En Jehoshafat woonde te Jeruzalem; en hij ging opnieuw uit onder het volk, van Berseba tot het gebergte van Efraïm, en bracht hen terug tot de HEER, de God van hun vaderen.
5En hij stelde rechters in het land, in alle versterkte steden van Juda, stad voor stad,
6En zei tot de rechters: Geeft acht op wat gij doet; want gij oordeelt niet voor de mens, maar voor de HEER, die met u is in het rechtspreken.
7Laat nu de vrees van de HEER op u zijn; let op wat gij doet en betracht het; want er is geen ongerechtigheid bij de HEER onze God, noch aanzien des persoons, noch aanneming van geschenken.