Terug naar 2 Kronieken 20
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 20:14

Toen kwam over Jahaziel, de zoon van Zacharia, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïel, de zoon van Mattanja, een Leviet van de zonen van Asaf, de Geest van de HEER, in het midden van de vergadering;

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 20 — omringende verzen

9

Indien er kwaad over ons komt, het zwaard, het oordeel, de pest of de honger, dan zullen wij voor dit huis staan en voor Uw aanwezigheid, want Uw naam is in dit huis, en wij zullen tot U roepen in onze benauwdheid, dan zult Gij horen en helpen.

10

En nu, zie, de kinderen van Ammon en Moab en het gebergte Seïr, in welke landen Gij Israël niet hebt laten binnentrekken, toen zij uit het land Egypte kwamen, maar zij weken van hen af en verdelgden hen niet;

11

Zie nu, hoe zij ons vergelden, door te komen om ons te verdrijven uit Uw bezitting, die Gij ons gegeven hebt om te beërven.

12

O onze God, zult Gij hen niet oordelen? Want wij hebben geen kracht tegen deze grote menigte die tegen ons aankomt; ook weten wij niet wat wij doen moeten, maar onze ogen zijn op U.

13

En geheel Juda stond voor de HEER, met hun kleinen, hun vrouwen en hun kinderen.

14

Toen kwam over Jahaziel, de zoon van Zacharia, de zoon van Benaja, de zoon van Jeïel, de zoon van Mattanja, een Leviet van de zonen van Asaf, de Geest van de HEER, in het midden van de vergadering;

15

En hij zei: Hoort, geheel Juda, en gij inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Jehoshafat; zo zegt de HEER tot u: Vreest niet en wordt niet beangst vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet de uwe, maar Gods.

16

Morgen trekt tegen hen op; zie, zij komen op door de hoogte van Sis, en gij zult hen vinden aan het einde van de beek, voor de woestijn van Jeruël.

17

Gij behoeft in deze strijd niet te strijden; stelt u op, staat stil en ziet de verlossing van de HEER met u, O Juda en Jeruzalem; vreest niet en wordt niet beangst; morgen trekt tegen hen uit, want de HEER zal met u zijn.

18

En Jehoshafat boog zijn hoofd met zijn aangezicht ter aarde; en geheel Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor de HEER, de HEER aanbiddende.

19

En de Levieten, van de kinderen der Kohathieten en van de kinderen der Korchieten, stonden op om de HEER, de God van Israël, te loven met luider stem en met verheven stem.