2 Kronieken 22:1
“En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn jongste zoon, koning in zijn plaats, want de bende die met de Arabieren naar het leger gekomen was, had al de oudsten gedood. Zo werd Ahazia, de zoon van Joram, koning van Juda.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 22 — omringende verzen
En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn jongste zoon, koning in zijn plaats, want de bende die met de Arabieren naar het leger gekomen was, had al de oudsten gedood. Zo werd Ahazia, de zoon van Joram, koning van Juda.
Tweeënveertig jaar oud was Ahazia toen hij koning werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem. En de naam van zijn moeder was Athalia, de dochter van Omri.
3Ook hij wandelde in de wegen van het huis van Achab, want zijn moeder was zijn raadgeefster om goddeloos te handelen.
4En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN, zoals het huis van Achab, want zij waren zijn raadgevers na de dood van zijn vader, tot zijn verderf.
5Hij wandelde ook naar hun raad, en trok met Joram, de zoon van Achab, koning van Israël, ten strijde tegen Hazaël, de koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead; en de Syriërs verwondden Joram.
6En hij keerde terug om te Jizreël genezen te worden van de wonden die hem te Rama toegebracht waren, toen hij streed tegen Hazaël, de koning van Syrië. En Azaria, de zoon van Joram, koning van Juda, trok af om Joram, de zoon van Achab, te Jizreël te bezoeken, omdat hij ziek was.