Terug naar 2 Kronieken 23
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 23:6

Maar laat niemand in het huis des HEREN komen dan de priesters en zij die dienen van de Levieten; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des HEREN waarnemen.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 23 — omringende verzen

1

En in het zevende jaar sterkte Jojada zich en nam de oversten van honderd, Azaria, de zoon van Jeroham, en Ismaël, de zoon van Johanan, en Azaria, de zoon van Obed, en Maäseja, de zoon van Adaja, en Elisafat, de zoon van Zichri, met zich in een verbond.

2

En zij trokken rond in Juda en verzamelden de Levieten uit al de steden van Juda, en de hoofden van de vaderen van Israël, en zij kwamen te Jeruzalem.

3

En de ganse gemeente sloot een verbond met de koning in het huis Gods. En hij zeide tot hen: Zie, de zoon des konings zal koning zijn, zoals de HEER gesproken heeft over de zonen van David.

4

Dit is de zaak die gij doen zult: Een derde deel van u, die op de sabbat aantreden, van de priesters en van de Levieten, zullen poortwachters der drempels zijn;

5

En een derde deel zal zijn aan het huis des konings, en een derde deel aan de Poort van de Grondvesting; en al het volk zal zijn in de voorhoven van het huis des HEREN.

6

Maar laat niemand in het huis des HEREN komen dan de priesters en zij die dienen van de Levieten; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des HEREN waarnemen.

7

En de Levieten zullen de koning rondom omringen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en wie in het huis komt, die zal gedood worden. Maar zijt gij bij de koning, als hij inkomt en als hij uitgaat.

8

En de Levieten en gans Juda deden naar alles wat de priester Jojada geboden had, en zij namen een ieder zijn mannen die op de sabbat aantraden, met hen die op de sabbat afgingen; want de priester Jojada had de afdelingen niet ontslagen.

9

Ook gaf de priester Jojada aan de oversten van honderd de speren en de rondassen en de schilden die van koning David geweest waren, die in het huis Gods waren.

10

En hij stelde al het volk op, een ieder met zijn wapen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, langs het altaar en het huis, bij de koning rondom.

11

Toen brachten zij de zoon des konings naar buiten en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en maakten hem koning. En Jojada en zijn zonen zalfden hem en zeiden: Leve de koning!