Terug naar 2 Kronieken 26
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 26:18

En zij traden Uzzia, de koning, tegen en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, om reukwerk te branden voor de HEER, maar aan de priesters, de zonen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk te branden. Ga uit het heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van de HEER God.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 26 — omringende verzen

13

En onder hun bevel was een legermacht van driehonderdzevenduizend vijfhonderd man, die oorlog voerden met grote kracht, om de koning te helpen tegen de vijand.

14

En Uzzia maakte gereed voor het gehele leger schilden en speren en helmen en pantsers en bogen en slingerstenen.

15

En hij liet in Jeruzalem verdedigingsmachines maken, door kunstenaars uitgevonden, om op de torens en op de hoeken te zijn, om daarmee pijlen en grote stenen te schieten. En zijn naam verspreidde zich ver, want hij werd wonderbaarlijk geholpen totdat hij machtig werd.

16

Maar toen hij machtig was geworden, verhief zijn hart zich tot zijn ondergang, want hij overtreedde tegen de HEER, zijn God, en ging het heiligdom van de HEER binnen om reukwerk te branden op het reukofferaltaar.

17

En Azarja, de priester, ging achter hem aan, en met hem tachtig priesters van de HEER, dappere mannen.

18

En zij traden Uzzia, de koning, tegen en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, om reukwerk te branden voor de HEER, maar aan de priesters, de zonen van Aäron, die geheiligd zijn om reukwerk te branden. Ga uit het heiligdom, want u hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van de HEER God.

19

Toen werd Uzzia toornig, en hij had een wierookschaal in zijn hand om reukwerk te branden; en terwijl hij toornig was op de priesters, brak de melaatsheid uit op zijn voorhoofd, voor de ogen van de priesters in het huis van de HEER, naast het reukofferaltaar.

20

En Azarja, de hogepriester, en al de priesters keken naar hem, en zie, hij was melaats op zijn voorhoofd, en zij dreven hem met haast van daar weg; ja, hijzelf haastte zich ook om naar buiten te gaan, omdat de HEER hem geslagen had.

21

En koning Uzzia was melaats tot de dag van zijn dood, en hij woonde in een afgezonderd huis, melaats zijnde, want hij was afgesneden van het huis van de HEER; en Jotham, zijn zoon, was over het huis des konings en richtte het volk des lands.

22

De overige geschiedenis nu van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, beschreven.

23

En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen in het veld van de begrafenis dat aan de koningen toebehoorde, want zij zeiden: Hij is melaats. En Jotham, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.