Terug naar 2 Kronieken 30
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 30:22

En Hiskia sprak tot het hart van alle Levieten die goed onderricht gaven in de kennis van de HEER; en zij aten de zeven dagen des feests, offerande offerende van vredeoffers, en belijdenis doende tot de HEER, de God hunner vaderen.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 30 — omringende verzen

17

Want er waren velen in de gemeente die zich niet geheiligd hadden; daarom hadden de Levieten de zorg voor het slachten der Paschoffers voor ieder die niet rein was, om hen voor de HEER te heiligen.

18

Want een menigte van het volk, zelfs velen uit Efraïm en Manasse, Issachar en Zebulon, hadden zichzelf niet gereinigd, maar aten het Pascha anders dan geschreven stond. Maar Hiskia bad voor hen en zeide: De goede HEER vergeve een iegelijk

19

Die zijn hart bereid heeft om God te zoeken, de HEER, de God zijner vaderen, al is hij ook niet gereinigd naar de reiniging des heiligdoms.

20

En de HEER verhoorde Hiskia, en heelde het volk.

21

En de kinderen Israëls die te Jeruzalem tegenwoordig waren, hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen met grote blijdschap; en de Levieten en de priesters loofden de HEER dag aan dag, spelende met luide instrumenten voor de HEER.

22

En Hiskia sprak tot het hart van alle Levieten die goed onderricht gaven in de kennis van de HEER; en zij aten de zeven dagen des feests, offerande offerende van vredeoffers, en belijdenis doende tot de HEER, de God hunner vaderen.

23

En de gehele gemeente beraadslaagde om nog zeven andere dagen te houden; en zij hielden nog zeven andere dagen met blijdschap.

24

Want Hiskia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend stieren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend stieren en tienduizend schapen; en een groot aantal priesters heiligden zich.

25

En de gehele gemeente van Juda, met de priesters en de Levieten, en de gehele gemeente die uit Israël gekomen was, en de vreemdelingen die uit het land Israël gekomen waren en die in Juda woonden, verheugden zich.

26

Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Salomo, den zoon van David, den koning van Israël, was dergelijke in Jeruzalem niet geweest.

27

Toen stonden de priesters, de Levieten, op en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord, en hun gebed kwam op tot zijn heilige woning, tot in den hemel.