Terug naar 2 Kronieken 32
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 32:27

En Hizkia had zeer grote rijkdommen en eer; en hij maakte zich schatkamers voor zilver, en voor goud, en voor edelstenen, en voor specerijen, en voor schilden, en voor allerlei kostbare kleinoden;

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 32 — omringende verzen

22

Zo verloste de HEER Hizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de hand van Sanherib, de koning van Assyrië, en uit de hand van allen, en leidde hen aan alle zijden.

23

En velen brachten gaven aan de HEER naar Jeruzalem, en geschenken aan Hizkia, de koning van Juda; zodat hij van toen af in de ogen van alle volken verheerlijkt werd.

24

In die dagen was Hizkia dodelijk ziek, en bad tot de HEER; en Hij sprak tot hem en gaf hem een teken.

25

Maar Hizkia vergold het niet naar het weldoen dat hem bewezen was; want zijn hart verhief zich: daarom was er toorn over hem, en over Juda en Jeruzalem.

26

Nochtans vernederde Hizkia zich vanwege de hoogmoed van zijn hart, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de toorn van de HEER niet over hen kwam in de dagen van Hizkia.

27

En Hizkia had zeer grote rijkdommen en eer; en hij maakte zich schatkamers voor zilver, en voor goud, en voor edelstenen, en voor specerijen, en voor schilden, en voor allerlei kostbare kleinoden;

28

Ook opslagplaatsen voor de opbrengst van koren, wijn en olie; en stallen voor allerlei soorten vee, en kooien voor kudden.

29

Voorts verschafte hij zich steden en bezittingen van schapen en runderen in overvloed; want God had hem zeer veel goederen gegeven.

30

Dezelfde Hizkia verstopte ook het bovenste waterkanaal van Gihon, en leidde het rechtstreeks naar de westzijde van de stad van David. En Hizkia had voorspoed in al zijn werken.

31

Doch in de zaak van de gezanten van de vorsten van Babel, die tot hem gezonden werden om te vragen naar het wonderteken dat in het land geschied was, verliet God hem, om hem te beproeven, opdat hij alles zou weten wat in zijn hart was.

32

Het overige nu van de daden van Hizkia, en zijn goedheid, zie, zij zijn beschreven in het gezicht van de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israël.