2 Kronieken 34:2
“En hij deed wat recht was in de ogen des HEREN, en hij wandelde in de wegen van zijn vader David, en hij week niet af, noch ter rechter-, noch ter linkerzijde.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 34 — omringende verzen
Josia was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem.
En hij deed wat recht was in de ogen des HEREN, en hij wandelde in de wegen van zijn vader David, en hij week niet af, noch ter rechter-, noch ter linkerzijde.
Want in het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog jong was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, en de gewijde palen, en de gesneden beelden en de gegoten beelden.
4En zij braken de altaren van de Baäls af in zijn tegenwoordigheid, en de zonnebeelden die er hoog bovenop stonden, hakte hij af; en de gewijde palen, en de gesneden beelden en de gegoten beelden verbrak hij en maakte ze tot stof, en hij strooide dat op de graven van hen die hun geofferd hadden.
5En hij verbrandde de beenderen van de priesters op hun altaren, en reinigde zo Juda en Jeruzalem.
6En evenzo deed hij in de steden van Manasse, en Efraïm en Simeon, tot Naftali toe, met hun hakhouwen rondom.
7En toen hij de altaren en de gewijde palen afgebroken had, en de gesneden beelden tot gruis verbrijzeld, en alle zonnebeelden door het gehele land Israël omgehouwen had, keerde hij terug naar Jeruzalem.