Terug naar 2 Kronieken 34
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 34:31

En de koning stond op zijn plaats en maakte een verbond voor het aangezicht des HEREN, om de HEER na te volgen en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen en Zijn inzettingen te onderhouden, met geheel zijn hart en met geheel zijn ziel, om de woorden van het verbond uit te voeren die in dit boek geschreven zijn.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 34 — omringende verzen

26

En tot de koning van Juda, die u gezonden heeft om de HEER te vragen, tot hem zult u aldus zeggen: Zo zegt de HEER, de God van Israël, aangaande de woorden die u gehoord hebt:

27

Omdat uw hart week geworden is en u zich vernederd hebt voor het aangezicht van God, toen u Zijn woorden hoorde tegen deze plaats en tegen haar inwoners, en u zich voor Mijn aangezicht vernederd hebt, en uw kleren gescheurd hebt en voor Mijn aangezicht geweend hebt, zo heb ook Ik u verhoord, spreekt de HEER.

28

Zie, Ik zal u verzamelen bij uw vaderen, en u zult in vrede verzameld worden in uw graf, en uw ogen zullen al het kwaad niet aanzien dat Ik over deze plaats en over haar inwoners brengen zal. En zij brachten de koning dit antwoord terug.

29

Toen zond de koning heen en verzamelde al de oudsten van Juda en Jeruzalem.

30

En de koning ging op naar het huis des HEREN, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de Levieten, en al het volk, van groot tot klein; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek van het verbond, dat gevonden was in het huis des HEREN.

31

En de koning stond op zijn plaats en maakte een verbond voor het aangezicht des HEREN, om de HEER na te volgen en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen en Zijn inzettingen te onderhouden, met geheel zijn hart en met geheel zijn ziel, om de woorden van het verbond uit te voeren die in dit boek geschreven zijn.

32

En hij deed allen die gevonden werden in Jeruzalem en Benjamin ertoe toetreden. En de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, de God van hun vaderen.

33

En Josia deed al de gruwelen weg uit al de landstreken die aan de kinderen Israëls toebehoorden, en hij bracht allen die gevonden werden in Israël ertoe te dienen, ja, de HEER, hun God, te dienen. Al zijn dagen weken zij niet af van de HEER, de God van hun vaderen, na te volgen.