Terug naar 2 Kronieken 35
VSV
Statenvertaling

2 Kronieken 35:13

En zij roosterden het pascha met vuur naar de verordening; maar de andere heilige offers kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen, en deelden ze snel uit aan al het volk.

Kruisverwijzingen

Context

2 Kronieken 35 — omringende verzen

8

En zijn vorsten gaven vrijwillig aan het volk, aan de priesters en aan de Levieten. Hilkia en Zacharia en Jehiël, de oversten van het huis Gods, gaven aan de priesters voor de paschaoffers tweeduizend zeshonderd stuks kleinvee en driehonderd runderen.

9

Conaniah ook, en Semaja en Nethaneël, zijn broeders, en Hasabja en Jeïel en Jozabad, hoofden der Levieten, gaven aan de Levieten voor de pascha-offers vijfduizend stuks kleinvee en vijfhonderd runderen.

10

Zo werd de dienst bereid, en de priesters stonden op hun plaats, en de Levieten in hun afdelingen, naar het gebod des konings.

11

En zij slachtten het pascha, en de priesters sprenkelden het bloed uit hun handen, en de Levieten vilden de dieren.

12

En zij namen de brandoffers weg, om die uit te delen naar de afdelingen der families van het volk, ten offer aan de HEER, zoals geschreven staat in het boek van Mozes. En zo deden zij ook met de runderen.

13

En zij roosterden het pascha met vuur naar de verordening; maar de andere heilige offers kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen, en deelden ze snel uit aan al het volk.

14

En daarna bereidden zij voor zichzelf en voor de priesters; want de priesters, de zonen van Aäron, waren bezig met het offeren van brandoffers en het vet tot in de nacht; daarom bereidden de Levieten voor zichzelf en voor de priesters, de zonen van Aäron.

15

En de zangers, de zonen van Asaf, stonden op hun plaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, de ziener des konings; en de poortwachters waakten bij elke poort; zij mochten hun dienst niet verlaten, want hun broeders, de Levieten, bereidden voor hen.

16

Zo werd de gehele dienst van de HEER op die dag bereid, om het pascha te houden en brandoffers te offeren op het altaar van de HEER, naar het gebod van koning Josia.

17

En de kinderen Israëls die aanwezig waren, hielden het pascha te dier tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.

18

En er was geen pascha zoals dat in Israël gehouden was vanaf de dagen van Samuël, de profeet; ook hadden geen van de koningen van Israël zulk een pascha gehouden als Josia hield, met de priesters en de Levieten, en heel Juda en Israël die aanwezig waren, en de inwoners van Jeruzalem.