2 Kronieken 35:23
“En de boogschutters schoten op koning Josia; en de koning zeide tot zijn dienaren: Breng mij weg, want ik ben zwaar gewond.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 35 — omringende verzen
En er was geen pascha zoals dat in Israël gehouden was vanaf de dagen van Samuël, de profeet; ook hadden geen van de koningen van Israël zulk een pascha gehouden als Josia hield, met de priesters en de Levieten, en heel Juda en Israël die aanwezig waren, en de inwoners van Jeruzalem.
19In het achttiende jaar van de regering van Josia werd dit pascha gehouden.
20Na dit alles, nadat Josia de tempel had bereid, trok Necho, de koning van Egypte, op om te strijden bij Karchemis aan de Eufraat; en Josia trok tegen hem uit.
21Maar hij zond boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te maken, o koning van Juda? Ik kom heden niet tegen u, maar tegen het huis waarmede ik oorlog voer; want God heeft mij geboden mij te haasten. Onthoud u van God, die bij mij is, opdat Hij u niet verdelge.
22Maar Josia wendde zijn aangezicht niet van hem af; hij vermomd zichzelf om met hem te strijden, en luisterde niet naar de woorden van Necho uit de mond van God, en hij kwam om te strijden in de vallei van Megiddo.
En de boogschutters schoten op koning Josia; en de koning zeide tot zijn dienaren: Breng mij weg, want ik ben zwaar gewond.
Zijn dienaren namen hem daarom uit de strijdwagen, en brachten hem in de tweede wagen die hij had; en zij brachten hem naar Jeruzalem, en hij stierf, en werd begraven in een der graven van zijn vaderen. En heel Juda en Jeruzalem bedreef rouw over Josia.
25En Jeremia maakte een klaagzang over Josia; en alle zangers en zangeressen spreken van Josia in hun klaagliederen tot op deze dag, en zij maakten het tot een verordening in Israël; en zie, zij zijn geschreven in de Klaagliederen.
26Nu het overige der daden van Josia, en zijn goedertierenheid, naar hetgeen geschreven staat in de wet van de HEER,
27En zijn daden, de eerste en de laatste, zie, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda.