2 Kronieken 5:7
“En de priesters brachten de ark van het verbond des HEREN naar zijn plaats, naar de bidplaats van het huis, in het allerheiligste, onder de vleugels van de cherubs.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Kronieken 5 — omringende verzen
Toen verzamelde Salomo de oudsten van Israël en al de hoofden van de stammen, de vorsten van de vaderen van de kinderen Israëls, te Jeruzalem, om de ark van het verbond des HEREN op te brengen uit de stad van David, dat is Sion.
3Daarom verzamelden alle mannen van Israël zich bij de koning, op het feest dat in de zevende maand was.
4En alle oudsten van Israël kwamen, en de Levieten namen de ark op.
5En zij brachten de ark op, en de tent der samenkomst, en al de heilige voorwerpen die in de tent waren; deze brachten de priesters en de Levieten op.
6Ook koning Salomo en heel de vergadering van Israël die zich bij hem voor de ark verzameld had, offerden schapen en runderen, die vanwege hun menigte niet geteld noch gerekend konden worden.
En de priesters brachten de ark van het verbond des HEREN naar zijn plaats, naar de bidplaats van het huis, in het allerheiligste, onder de vleugels van de cherubs.
Want de cherubs spreidden hun vleugels uit over de plaats van de ark, en de cherubs bedekten de ark en zijn draagstangen van boven.
9En zij trokken de draagstangen van de ark zo ver uit, dat de uiteinden van de draagstangen van de ark gezien konden worden voor de bidplaats, maar zij werden van buiten niet gezien. En daar is zij tot op deze dag.
10Er was niets in de ark dan de twee tafelen die Mozes daarin gelegd had bij Horeb, toen de HEER een verbond sloot met de kinderen Israëls, toen zij uit Egypte trokken.
11En het gebeurde, toen de priesters uit het heiligdom kwamen (want alle priesters die aanwezig waren, hadden zich geheiligd, zonder op de beurten te letten;
12Ook alle Levieten die zangers waren, zij allen, van Asaf, van Heman, van Jeduthun, met hun zonen en hun broeders, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, luiten en harpen, stonden aan de oostzijde van het altaar, en met hen honderdtwintig priesters die op trompetten bliezen),