Terug naar 2 Samuël 1
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 1:8

En hij zei tot mij: Wie bent u? En ik antwoordde hem: Ik ben een Amalekiet.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 1 — omringende verzen

3

En David zei tot hem: Van waar komt u? En hij zei tot hem: Ik ben ontsnapt uit het leger van Israël.

4

En David zei tot hem: Hoe is het gegaan? Vertel het mij toch. En hij antwoordde: Het volk is gevlucht uit de strijd, en velen van het volk zijn ook gevallen en dood; en Saul en Jonathan zijn zoon zijn ook dood.

5

En David zei tot de jongeman die hem dit mededeelde: Hoe weet u dat Saul en Jonathan zijn zoon dood zijn?

6

En de jongeman die hem dit mededeelde, zei: Bij toeval bevond ik mij op de berg Gilboa, en zie, Saul leunde op zijn speer; en zie, de wagens en ruiters achtervolgden hem van nabij.

7

En toen hij omkeek, zag hij mij en riep mij toe. En ik antwoordde: Hier ben ik.

8

En hij zei tot mij: Wie bent u? En ik antwoordde hem: Ik ben een Amalekiet.

9

En hij zei tot mij: Kom toch bij mij staan en dood mij, want de angst heeft mij bevangen, hoewel mijn leven nog geheel in mij is.

10

Zo stond ik bij hem en doodde hem, want ik wist zeker dat hij niet kon leven nadat hij gevallen was; en ik nam de kroon die op zijn hoofd was en de armband die aan zijn arm was, en heb ze hierheen gebracht tot mijn heer.

11

Toen greep David zijn klederen en scheurde ze; en evenzo alle mannen die bij hem waren;

12

En zij droegen rouw en weenden en vastten tot de avond, om Saul en om Jonathan zijn zoon en om het volk van de HEER en om het huis van Israël, omdat zij door het zwaard gevallen waren.

13

En David zei tot de jongeman die hem dit mededeelde: Waar bent u vandaan? En hij antwoordde: Ik ben de zoon van een vreemdeling, een Amalekiet.