Terug naar 2 Samuël 12
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 12:18

En het geschiedde op de zevende dag, dat het kind stierf. En de dienaren van David vreesden hem te vertellen dat het kind dood was; want zij zeiden: Zie, terwijl het kind nog leefde, spraken wij tot hem en hij wilde naar onze stem niet horen; hoe zal hij dan zichzelf kwetsen, als wij hem zeggen dat het kind dood is?

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 12 — omringende verzen

13

En David zeide tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen de HEER. En Nathan zeide tot David: De HEER heeft ook uw zonde weggenomen; gij zult niet sterven.

14

Doch omdat gij door deze daad de vijanden van de HEER grote aanleiding tot lasteren gegeven hebt, zal het kind dat u geboren is, zeker sterven.

15

En Nathan ging naar zijn huis. En de HEER sloeg het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, zodat het zeer ziek werd.

16

David dan smeekte God voor het kind; en David vastte, en hij ging naar binnen en lag de gehele nacht op de aarde.

17

En de oudsten van zijn huis stonden op en gingen tot hem, om hem van de aarde op te richten; maar hij wilde niet, en at ook geen brood met hen.

18

En het geschiedde op de zevende dag, dat het kind stierf. En de dienaren van David vreesden hem te vertellen dat het kind dood was; want zij zeiden: Zie, terwijl het kind nog leefde, spraken wij tot hem en hij wilde naar onze stem niet horen; hoe zal hij dan zichzelf kwetsen, als wij hem zeggen dat het kind dood is?

19

Maar toen David zag dat zijn dienaren fluisterden, begreep David dat het kind gestorven was; daarom zeide David tot zijn dienaren: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood.

20

Toen stond David op van de aarde, en waste zich en zalfde zich, en veranderde zijn klederen, en ging in het huis van de HEER en aanbad; daarna ging hij naar zijn eigen huis; en toen hij het vroeg, zetten zij brood voor hem, en hij at.

21

Toen zeiden zijn dienaren tot hem: Wat is dit dat gij gedaan hebt? Gij hebt gevast en geweend voor het kind, terwijl het leefde; maar toen het kind dood was, stond gij op en at brood.

22

En hij zeide: Terwijl het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zeide: Wie weet, of God mij genadig zal zijn, zodat het kind moge leven?

23

Maar nu is het dood, waarom zou ik dan vasten? Kan ik het terugbrengen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal niet tot mij wederkeren.