Terug naar 2 Samuël 17
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 17:22

Toen stond David op, en al het volk dat bij hem was, en zij trokken over de Jordaan; bij het aanbreken van de morgen ontbrak er niet één die niet over de Jordaan was gegaan.

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 17 — omringende verzen

17

Nu vertoefden Jonathan en Ahimaaz bij Enrogel; want zij mochten niet gezien worden als zij in de stad kwamen; en een dienstmeisje ging en boodschapte het hun, en zij gingen en boodschapten het koning David.

18

Doch een jongen zag hen en boodschapte het Absalom; maar zij begaven zich beiden haastig op weg en kwamen bij het huis van een man te Bahurim, die een put in zijn voorhof had; en daarin daalden zij af.

19

En de vrouw nam een dek en spreidde het over de opening van de put, en strooide er geplette korrel op; en de zaak was niet bekend.

20

En toen de dienaren van Absalom bij de vrouw aan het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaaz en Jonathan? En de vrouw zeide tot hen: Zij zijn de beek overgetrokken. En toen zij gezocht hadden en hen niet konden vinden, keerden zij terug naar Jeruzalem.

21

En het geschiedde, nadat zij vertrokken waren, dat zij uit de put opklommen en gingen en het koning David boodschapten, en tot David zeiden: Staat op en trekt snel over het water; want aldus heeft Achitofel tegen u geraden.

22

Toen stond David op, en al het volk dat bij hem was, en zij trokken over de Jordaan; bij het aanbreken van de morgen ontbrak er niet één die niet over de Jordaan was gegaan.

23

En toen Achitofel zag dat zijn raad niet gevolgd was, zadelde hij zijn ezel, maakte zich gereed en ging naar zijn huis, naar zijn stad, bracht zijn huishouding op orde, en verhing zichzelf, en stierf, en werd begraven in het graf van zijn vader.

24

Toen kwam David te Mahanaïm. En Absalom trok over de Jordaan, hij en alle mannen van Israël met hem.

25

En Absalom stelde Amasa als legeroverste aan in de plaats van Joab; welke Amasa de zoon was van een man wiens naam Ithra, een Israëliet, was, die tot Abigaïl, de dochter van Nahas, de zuster van Zeruja, de moeder van Joab, was ingegaan.

26

Zo legerde Israël en Absalom zich in het land Gilead.

27

En het geschiedde, toen David te Mahanaïm gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, uit Rabba der Ammonieten, en Machir, de zoon van Ammiël, uit Lodebar, en Barzillai de Gileadiet uit Rogelim,