Terug naar 2 Samuël 18
VSV
Statenvertaling

2 Samuël 18:6

Zo trok het volk het veld in tegen Israël; en de strijd was in het woud van Efraïm;

Kruisverwijzingen

Context

2 Samuël 18 — omringende verzen

1

En David telde het volk dat bij hem was, en stelde over hen oversten van duizenden en oversten van honderdtallen aan.

2

En David zond een derde deel van het volk uit onder het bevel van Joab, en een derde deel onder het bevel van Abisai, de zoon van Zeruja, de broeder van Joab, en een derde deel onder het bevel van Ittai de Gethiet. En de koning zeide tot het volk: Ik zal zelf ook zeker met u uittrekken.

3

Maar het volk antwoordde: Gij zult niet uittrekken; want als wij al vluchten, zullen zij zich niet om ons bekommeren; en ook al sterven de helft van ons, zullen zij zich niet om ons bekommeren; maar nu zijt gij tienduizend van ons waard; daarom is het nu beter dat gij ons vanuit de stad te hulp komt.

4

En de koning zeide tot hen: Wat u het beste dunkt, dat zal ik doen. En de koning stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderdtallen en bij duizendtallen.

5

En de koning gebood Joab en Abisai en Ittai, zeggende: Handelt zachtmoedig om mijnentwil met de jonge man, met Absalom. En al het volk hoorde toen de koning alle legeroversten bevel gaf betreffende Absalom.

6

Zo trok het volk het veld in tegen Israël; en de strijd was in het woud van Efraïm;

7

Waar het volk van Israël voor de knechten van David geslagen werd, en er was daar een grote slachting op die dag van twintigduizend man.

8

Want de strijd verspreidde zich over het gehele land; en het woud verslond op die dag meer volk dan het zwaard verslond.

9

En Absalom ontmoette de knechten van David. En Absalom reed op een muildier, en het muildier ging onder de dichte takken van een grote eik door, en zijn hoofd greep de eik, en hij werd opgehangen tussen de hemel en de aarde; en het muildier dat onder hem was liep weg.

10

En een zekere man zag het en boodschapte het Joab, en zeide: Zie, ik heb Absalom hangend in een eik gezien.

11

En Joab zeide tot de man die het hem boodschapte: En zie, gij hebt hem gezien; waarom hebt gij hem dan niet daar ter aarde neergeslagen? en ik zou u tien sikkel zilver en een gordel gegeven hebben.