2 Samuël 2:1
“En het geschiedde daarna, dat David de HEER raadpleegde en zei: Zal ik optrekken naar een van de steden van Juda? En de HEER zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron.”
Kruisverwijzingen
Context
2 Samuël 2 — omringende verzen
En het geschiedde daarna, dat David de HEER raadpleegde en zei: Zal ik optrekken naar een van de steden van Juda? En de HEER zei tot hem: Trek op. En David zei: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zei: Naar Hebron.
Zo trok David daarheen op, en ook zijn twee vrouwen, Ahinoam de Jizreëlitische en Abigaïl, de vrouw van Nabal, de Karmelitische.
3En zijn mannen die bij hem waren, bracht David mee naar boven, elk man met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.
4En de mannen van Juda kwamen, en zalfden daar David tot koning over het huis van Juda. En men vertelde David en zei: De mannen van Jabesgilead zijn het geweest die Saul begraven hebben.
5En David zond boden tot de mannen van Jabesgilead en zei tot hen: Gezegend zij u van de HEER, omdat u deze goedheid bewezen hebt aan uw heer, aan Saul, en hem begraven hebt.
6En nu, de HEER bewijze u goedheid en trouw; en ook ik zal u deze goedheid vergelden, omdat u dit gedaan hebt.